Verlofdagen in Europa: klik hier


Buienradar Europa: klik hier

Aardbevingen Italië: klik hier

Toestand bergpassen: klik hier

Wind, Sneeuw, ...: klik hier

Advies onweer: klik hier


 

NB51 Armoede en rijkdom

Door Theo Coolen

Toen ik besloot tot mijn pelgrimstocht naar Assisi en Rome realiseerde ik mij dat de eerste stap over de drempel van mijn voordeur zeker ook een aspect in zich had van het aanvaarden van een voorlopige versobering van mijn leefwijze. Ik denk dat dat geldt voor de meesten van ons en dan vooral op het materiële vlak. Immers, maar weinigen van ons stoppen een Senseo-apparaat in hun rugzak en zij die net als ik met een eenpersoons tentje op stap gaan eindigen een vermoeiende etappe meestal niet in een schuimend ligbad.

Vooraf voelde ik dan ook wat spanning bij de vraag “Hoe zou dat zijn, het ontbreken van die luxe vanzelfsprekendheden? Lukt het me wel zo’n trip dan nog leuk te vinden?” Gaandeweg echter, naarmate mijn tocht vorderde, kreeg ik het gevoel daar uitstekend mee om te kunnen gaan. En hoewel ik mij realiseerde dat mijn soberheid en berusting het niet haalde bij die van Franciscus, in wiens voetsporen ik immers liep, kreeg ik toch een voldaan, met tijden zelfs een heroïsch gevoel als ik voor mijn tentje zat en de avondmaaltijd bestond uit één aardappel, één kaasje en één stokbrood.

En juist als je dan begint te geloven dat je ook innerlijk al helemaal los bent van je gewenning aan luxe en welvaart komt er iets of iemand letterlijk op je pad die je onder ogen brengt dat je daarin nog een weg hebt te gaan.

Er is een anekdote uit de Franse geschiedenis van rond de tijd van de Franse revolutie: terwijl het Franse koningshuis en alle edelen daaromheen zich te buiten gaan in hun paleizen aan decadente rijkdom en weelde, heerst er onder de bevolking in Parijs armoede en hongersnood. Het koninklijk hof heeft er geen enkel benul van wat dat is: hongersnood.

Op een keer gaat de Franse koningin in haar luxe rijtuig op rijtoer in Parijs. De koets komt daar vervolgens terecht in een massaal volksoproer van woedende en opstandige burgers. De koningin vraagt aan haar koetsier waarom die mensen zo boos zijn. De koetsier antwoordt: “Majesteit, ze lijden honger, ze hebben geen brood om te eten!” Daarop reageert de koningin met: “Waarom eten ze dan geen cake?”

Ik moest daaraan denken toen ik in de Aosta-vallei het volgende meemaakte:

Eind van de middag loop ik langs een grote tuinderij waar ik de tuinder tussen de kassen en groentebedden aan het werk zie. Net als ik naar hem toe wil gaan om te vragen of ik in een hoekje van zijn land mijn tentje mag opzetten voor de nacht, lopen twee jongemannen uit een tunnelkas met tomaten naar hem toe. Ik schat, aan de zeer donkere huidskleur te zien, dat ze afkomstig zijn uit Senegal of Mauritanië. Vermoedelijk zijn het illegale dagloners. Waarschijnlijk hebben ze de hele dag tomaten geplukt in die hete kassen. Ik wacht op gepaste afstand. Ik zie hoe de tuinder hen ieder wat munten geeft. Hoeveel weet ik niet. Misschien maar een paar euro. Ik zag in ieder geval géén papiergeld.

Als de twee weggaan, stap ik dichterbij en vraag ik de tuinder of ik ergens in een hoekje mijn tentje voor een nacht mag opzetten. “Geen probleem zegt hij. Daarachter is wel een plekje”. En hij wijst naar een hoekje van zijn land waar wat machines en materialen liggen. Als ik er naar toeloop, tref ik daar ook die twee Senegalezen. Ze hebben van wat golfplaten en oude deuren een onderkomen gebouwd en zitten daar nu op een oude autobank. Ze zien er vermoeid uit. Ik schat ze een jaar of 25. Eén heeft geen voortanden (wel een gouden hoektand). Teenslippers. Ze spreken Frans en we raken in gesprek.

“Is hier een kraan?” vraag ik.

“Nee, zegt de een, terwijl hij wijst op een paar stoffige jerrycans in hun hutje, water halen we boven in het dorp bij een bron”.

“Kom je hier óók werken?” vraagt gouden tand, een beetje achterdochtig.

“Nee, zeg ik, ik werk niet. Ik ben een pelgrim. Op doortocht”.

“Maar hoe kom je dan aan geld voor eten?” vraagt de ander.

Ik schrik van mezelf, als ik bíjna, (het lag op het puntje van mijn tong) antwoord met:

“Als ik geld nodig heb, ga ik pinnen”.