Decamerone vertelling 11 tot 15

Vertelling 15 woensdag 8 april

Franse gastvrijheid

door Ben Teunissen

 

Sinds een dag heb ik gezelschap van Jan en zijn zoon Wouter. Al in de voorbereidende fase spraken we af dat zij een stuk van de tocht meemaken. Een tientallen jaren oude vriendschap werd weer eens stevig aangehaald. Van Dinant liepen we samen een eind Noord-Frankrijk in. Dinant zelf is vergane glorie: je proefde een rijk toeristentijdperk, maar nu resten zwerfvuil, vergane tuinbanken en troosteloze uitzichtpunten. Het is maar goed dat je al wandelend besmette landschappen inwisselt voor puur natuur. Hier in de Ardennen liepen we een met rood-wit gemarkeerde GR, een pad dat je niet altijd op de meest logische wijze verder brengt. Dus hebben we op eigen wijze een afsnijding bedacht, welke dan ook prompt eindigde bij een rots langs de Meuse. Dat doen we geen tweede keer, want het was direct klimmen en klauteren geblazen. En nog wel op glibberige paden, want het regende gestaag. Een rustpauze was dan ook verdiend.

 

In een zwaar beschadigd bushokje werd koffie gezet. Mijn ogen vielen uit mijn kas toen ik vroeg of Jan en Wouter hun bekers even wilden aanreiken. Na veel gerommel kwamen er stenen bekers uit de rugzak! Duidelijk niet voorbereid op meer dan 2000 kilometers. Toen het tijd werd voor een overnachtingsplaats zochten we de plek op uit ons gidsje. Wat door dat gidsje als gîte was beloofd, bleek een vakantiepark met van die typische Ardenner huisjes. De juffrouw achter de balie hielp ons toch voor één nacht, nog wel met prachtige lakenpakketten en al. Groot voordeel was dat we er heerlijk konden eten en dat lieten we ons dan ook niet ontzeggen.

 

De volgende dag zwoegen we zwijgzaam voort in gestaag vallende regen. We liepen achter elkaar, links van de weg, want er passeerden regelmatig auto’s die een gordijn van regen over ons heen wierpen. Plots ontdekte ik dat mijn stok niet meer op zijn plaats hing en zei timide tegen Jan: „ik ben mijn stok kwijt‟. Hij dacht direct: jammer dan, in dit weer naar een stok gaan zoeken is gekkenwerk. Maar ik stuurde Wouter en Jan door naar Doische en zag ze dan later wel met of zonder stok terug. Later bleek dat ze toch zijn blijven wachten. Jan vertelde me dat ze in contact kwamen met enkele werklui. Op de vraag waarom ze daar stonden zei Jan: „Mon ami a perdu son bateau!‟, waarop de man hem verbaasd aankijkt. Later realiseert Jan zich dat een bateau wel wat anders is dan een bâton. Na ruim een uur was ik terug mét stok. Er is wel een auto overheen gereden, maar gelukkig restte niet alleen de herinnering.

 

Onderweg kwamen we al de bekende pelgrimsborden tegen. Na een minder prettige wandeldag gingen we weer op zoek naar een slaapplaats. De gids beloofde twee gîtes en we roken in ieder geval een frietkot. Bij een huis uit de Napoleontische tijd hangt een bordje met een slapende kabouter op een halve maan met de tekst Gîte Rurale. Er stond een deur op een kier waar je een vrouw wat zag aanredderen. Jan vraagt op zijn zondagse Frans „Madame, s’il vous plaît, une chambre pour trois personnes pour une nuit”. De vrouw kijkt hem met grote niets begrijpende ogen aan en roept: “Piet, kom eens, er is er hier een die Frans spreekt!” Het huisje was al verhuurd aan een gezelschap maar wellicht dat de eigenaresse die ernaast woonde nog een slaapplek wist. Op die vraag van Jan gaf onze nieuwe gastvrouw enthousiast het antwoord: „Entrez!” We kregen een grote zolder vol met bric-à-brac uit wel zeer lang vervlogen tijden. Echter zeer mooi sanitair waar we direct uitgebreid gebruik van maakten. Na mijn vraag of we er ook iets te drinken konden krijgen, bleek zelfs een maaltijd geen probleem. Zo zaten we onverwacht met onze Hélène gekruide spinaziesoep, een zelfbedachte quiche en groentesalade te verorberen. Ook hier een psychotherapeute zonder man, maar met haar prachtige bezit, veel te druk om zich zorgen te maken over alles wat het leven ingewikkeld en rusteloos maakt. We genoten van de bijzondere gastvrijheid.

 

Uit ‘Van droom tot werkelijkheid’, verslag van een pelgrimage, Ben Teunissen

 


Vertelling 14 dinsdag 7 april

Rue Emile Zola

door Vronie Konijn

 

Even later loop ik de stad in op zoek naar een boekhandel. Er is mij verteld dat ik er een kan vinden in de Rue Emile Zola. Speurend loop ik door de straat. Ik heb op dit moment, naast de zware zak op mijn rug, in mijn rechterhand het routeboekje en onder mijn linkerarm mijn wandelstokken geklemd. Iets wat ik normaal gesproken nooit doe. Aan de overkant van de weg zie ik de boekwinkel. Blij dat ik hem gevonden heb keer ik mij er naar toe. De straat is vol auto’s, ik probeer daar tussendoor veilig aan de overkant te komen. Ik stap de stoep af en loop de straat op. Ben ik verblind door de zon? Ben ik afgeleid door het drukke verkeer? Of heb ik alleen aandacht voor die winkel aan de overkant? In ieder geval zie ik de uitstekende steen in de straat niet. Mijn linkervoet blijft erachter haken en met mijn volle gewicht, verzwaard door de rugzak, tuimel ik naar voren. Mijn gezicht recht naar beneden. Als in een vertraagde film zie ik het gebeuren. In die ene zelfde seconde realiseer ik ook dat ik mezelf niet kan helpen of opvangen. Ik zie vanuit mijn ooghoeken hoe de mensen om mij heen, met hun handen voor hun mond, verschrikt naar me kijken. Met gierende remmen stopt een auto vlak voor me. Ik zie de straatstenen naderen…

Het is of handen me tegenhouden waardoor ik mijn balans weer kan terugvinden. Ik heb de straatstenen niet geraakt! De adrenaline giert door mijn lijf. Verdwaasd loop ik daarna evengoed rechtstreeks naar de boekwinkel en koop de landkaart. Als ik afreken voel ik hoe mijn hart bonkt in mijn keel.

Pas daarna zoek ik een bankje en ga met trillende benen zitten. Het bonzen van mijn hart neemt zachtjes af. Ik sluit even mijn ogen, de angstige momenten gaan weer door me heen. Ondanks de warmte van de zonnestralen ril ik als het tot me doordringt wat er gebeurd is en vooral wat er had kúnnen gebeuren. Hoe komt het dat ik niet gevallen ben? Ik denk weer aan de engel in Reims. Engelen, bestaan ze dan echt? Is er meer tussen hemel en aarde?

 

Uit: Vronie Veronique Veronica.

Een verhaal over lef en kwetsbaar durven zijn.

ISBN: 978-94-6008-288-7

 


Vertelling 13 maandag 6 april

Moeilijke start en bijzondere ontvangst

door Luc Gregoir

Een jaar ben ik bezig met de voorbereiding van mijn tocht van Rome naar Antwerpen. Door een hoop adrenaline gedreven vertrek ik op de grote dag vanaf het Colosseum. Met een rugzak van achttien kilo leg ik de eerste dag drieëndertig kilometer af aan een gemiddelde snelheid van vijf kilometer per uur. Teveel hooi op mijn vork voor een eerste dag, zou later blijken. De volgende dag komt de kat op de koord. Fikse regenbuien maken plaats voor de prille lentezon van de vorige dag en asfalt onder de voeten is eerder de regel dan de uitzondering. De gevolgen laten zich voelen als ik in Montelibretti aankom en pijn heb bij iedere stap die ik zet. Ik stap een apotheek binnen om een middel tegen blaren aan te schaffen. Zitten en kousen uit! beveelt de apothekeres die duidelijk geen tegenspraak gewoon is. Als ze mijn voet gesierd met een flinke bloedblein bekijkt is het verdikt resoluut: ‘Een tube zalf, wat kompressen en enkele dagen geen stap verzetten!’

Volgende opdracht is een slaapplek vinden voor de nacht. Voor de aanloop van mijn tocht heb ik de gids ‘een Franciscaanse voetreis’ bij om me hierbij te helpen. Er blijkt één adres in Montelibretti vermeld en als ik me er meld, blijkt dat er twee kamers zijn: één is benomen en de andere wordt gerenoveerd. Een auto arriveert als ik het nieuws gebracht wordt. Een dame, Christina genaamd, stapt uit en informeert voor welke opdracht ik sta. Ze blijkt al even assertief te zijn als de apothekeres. Het spijt me: ‘we hebben geen bruggen in dit dorp waaronder je kan schuilen voor de nacht!

Zonder verdere uitleg beveelt ze me de rugzak in de auto te leggen en in te stappen! Ook deze keer wordt tegenspraak blijkbaar niet geaccepteerd. Na een kort ritje belanden we bij Christina’s appartementje waar ze samen met haar vader woont. Haar eigen kamer maakt ze klaar om mij te herbergen, en voor zichzelf improviseert ze een slaapplaats in de woonkamer. Als ik de volgende morgen opsta is Christina al naar haar werk vertrokken en staat er een heerlijk ontbijt klaar met chocolade eieren van het paasfeest dat net voorbij is.

 

 

 

 

 


Vertelling 12, zondag 5 april

De engelen van Großenhain

door Guus Wesselink en Riet van Laake

 

De Via Regia naar Großenhain gaat vanaf de idyllische Paulsmühle met zijn grote kastanjebomen en seringen over een fietspad van ruim acht kilometer kaarsrecht langs een wetering naar de stad. We zijn blij als we het riviertje de Röder kunnen oversteken en de muren van de oude stad binnen kunnen lopen. De saaiheid voorbij!

Guus:

In de stille oude stad dwalen we op deze zondagmiddag door oude straatjes naar de markt in het centrum. We treffen een groot marktplein aan met daaraan het stadhuis en statige gebouwen. Op een oude tekening zien we een afbeelding waarop Napoleon een legerafdeling inspecteert op deze markt. Hier was hij dus ook.

We gaan op zoek naar onze Pilgerherberg en vinden die al gauw in een zijstraat achter de  Marienkirche. Omdat we nog even op de Herbergsmutter die de sleutel van de herberg zal komen brengen moeten wachten, bezoeken we de kerk. Het interieur is helemaal wit! Voor ons is dat een bijzondere ervaring. Vrijwel alle kerken die we op onze reizen hebben bezocht zijn bruin en donker van binnen en in Italië vaak voorzien van veel fresco’s en beelden. Maar in deze kerk zijn alle wanden en lambriseringen hagelwit en hebben mooie ronde vormen! Het doet vrouwelijk en vrolijk aan.

De Marienkirche is een Evangelische kerk die tussen 1746 en 1748 gebouwd is door Schmidt en Fehre. Van de vele kerken die Schmidt gebouwd heeft, is dit de laatste die nog in zijn originele Saksische en laat-barokke vormen bestaat. Boven de noordingang prijkt een glas-in-lood raam dat geschonken is ter ere van 400 jaar Luther. Hém zullen we op onze tocht over de Via Regia nog vaak tegenkomen. Voordat we naar buiten gaan gedenken we in deze bijzondere kerk op deze bijzondere plaats in Duitsland in alle stilte de doden uit de wereldoorlogen. Het is per slot van rekening 4 mei.     

Buiten wacht Herbergsmutter Frau Pool ons al op met de sleutel van ons overnachtingsadres. We gaan met haar naar binnen en zij maakt ons wegwijs in het pand. Nadat we met haar hebben afgerekend (tweemaal vijf euro….) vertrekt zij weer. Wij installeren ons in een slaapzaaltje met twee eenpersoons bedjes, leggen onze slaapzakken op de matrassen van de prima bedden en gaan na een fikse douche de stad in voor de feestborrel op de verjaardag van broer Jan!

Inmiddels heb ik geconstateerd, dat de zolen van mijn al veel belopen wandelschoenen hier en daar losraken. Ik moet dus nodig naar een ‘Schuster’, maar ook hier zoals overal in Europa zijn de schoenmakers op zondag gesloten. Er zit dus niets anders op dan om de volgende ochtend eerst naar een Schuster te gaan voor enig plakwerk voordat we verder kunnen lopen. Hopelijk kunnen we er vroeg terecht en hopelijk is plakken of desnoods verzolen een oplossing voor het probleem.

 

Inmiddels is het zes uur, etenstijd, zowel voor pelgrims – die doorgaans erg vroeg opstaan – als voor de lokale bevolking. “Um sechs gibt es Abendbrot!” heet het hier in Saksen.  We gaan naar een Italiaans restaurant dat we gespot hebben in een van de straatjes. Mamma Mia heet het. “Mamma Mia!” roepen we in koor, “dat is een perfecte plek om zowel Jan’s verjaardag te vieren als onze trouwdag die morgen op de kalender staat.”

In onze mooiste pelgrims-outfit stappen we om zes uur de zaak binnen en worden netjes naar een tafeltje begeleid. Het is nog stil in het restaurant. We bestellen een aperitief en babbelen wat. Plotseling zeggen we bijna tegelijk tegen elkaar: “Het voelt hier niet goed”. Het restaurant en de eigenaar zijn oké, maar de plek waar het tafeltje staat ‘klopt niet’”.

Als wij iets dergelijks meemaken pakken we altijd meteen door en kiezen wat anders. Dus vragen we om een tafeltje iets meer naar het raam. De ober vindt het prima. Maar als we daar zitten voelt het ook niet goed. Iets wringt er. We voelen ons niet echt op ons gemak. We kijken om ons heen en zien iets verder in een hoek een alkoof met twee tafeltjes. Gezellig een beetje aan de rand van de zaak en een ruimte waar je je knus kunt terugtrekken. “Dát is het” zeggen we tegen elkaar en we vragen de ober of we daar kunnen plaatsnemen. “Ja hoor”, zegt hij, “maar één van de twee tafeltjes is besproken, dus u krijgt dan wel gezelschap.” Wij nemen de gok dat het gezellig volk zal zijn en nemen plaats in de alkoof. Heerlijk voelt het daar. “Prima plek” zeggen we tegen elkaar. Uit de menukaart kiezen we een lekker Italiaans gerecht en omdat we twee feestelijkheden tegelijk vieren vanavond nemen we een goede fles Italiaanse wijn, de duurste van de kaart. ‘Duur’ is in deze contreien een betrekkelijk begrip; de fles kost ons achttien euro.

Als we met het eerste glas een toost uitbrengen op Jan, arriveert het gezelschapje naast ons en neemt plaats aan het door hen besproken tafeltje. Het zijn een man en een vrouw van middelbare leeftijd. Ze zien er beschaafd uit. De eigenaar van het restaurant groet hen hartelijk en gaat met hen in gesprek. Kennelijk komen ze hier vaker. Ze groeten ons en nadat we hen beleefd hebben terug gegroet, geven we ons weer over aan onze vieringen.

“Niet vergeten dat ik hen straks vraag naar het adres van een goede schoenmaker”, zeg ik tegen Riet. Soms schieten er op de raarste momenten de vreemdste gedachten door mijn hoofd. Maar het is dan ook een uiterst belangrijk onderwerp voor ons, die zolen. Zonder zolen geen verdere wandeling!

Riet:

Het eten is verrukkelijk en de Italiaanse wijn streelt onze tong. Het eerste glas smaakt beslist naar meer. Guus en ik hebben altijd wel gespreksstof als we samen zijn. Maar nu ben ik regelmatig erg stil, mijn verdriet om Jan´s erbarmelijke gezondheid worstelt zich steeds naar boven. Af en toe slik ik. Er plengt spontaan een traan op mijn bord. Nog een. De witte zakdoek van Guus kan ze even drogen.

Het echtpaar naast ons kijkt af en toe onze richting uit, míjn richting uit. Ik wil niet triest worden op deze bijzondere avond, maar ik kan het gevoel bijna niet meer tegenhouden.

De man kijkt weer naar ons en vraagt: “Sind Sie Pilger?” Ja, natuurlijk zijn we dat. Ik heb mijn rode hoge hakken thuis gelaten en ook Guus’ stropdas hangt thuis in de kast. We zijn – uiteraard – in onze pelgrimskleren in dit mooie restaurant.

We komen aan de praat met het echtpaar. Dat gaat – in Deutsch – redelijk gemakkelijk omdat we de laatste glazen van die heerlijke rode wijn hebben ingeschonken. We vertellen over de Ökumenische Pilgerweg, over onze ontmoetingen onderweg, over de mooie natuur in Saksen en Thüringen. De man blijkt Jörg te heten. Hij vertelt dat hij makelaar is; zijn vrouw Patricia werkt bij de Sächsischer Zeitung. Dan vraagt de man rechtstreeks aan mij: “Ben jij een beetje verdrietig?” En dan barst mijn trieste gevoel open, mijn waterval aan woorden is niet te stoppen. Noch mijn tranen…. Ik vertel over Jan, dat hij binnenkort zal sterven. Ik zeg hem dat ik Jan nog niet wil missen.

Jörg slaat zijn arm om me heen, wil me helpen. Hij zegt: “het komt goed, het komt ECHT goed!” “Nee nee”, denk ik, “het komt helemaal niet goed. Onze Jan gaat dood!” Toch doet het me erg goed, dat deze vreemdeling zo geweldig zijn best doet om mij op de een of andere manier te troosten.

We praten met z’n vieren verder en leren elkaar wat beter kennen.

Als we met z’n vieren samen zijn, weten en voelen we dat we een heel bijzondere ontmoeting hebben, hier in het Italiaanse restaurant in Großenhain. Waar Guus een schoenmaker zocht! Dat is waar ook. Guus vertelt over zijn kapotte schoenzolen en vraagt: “Jörg en Patricia, weten jullie of hier in de buurt een schoenmaker is?” Ze vertellen ons dat er eentje vlakbij het restaurant is. En dat zijn zaak morgenvroeg om 8 uur open zal zijn.

We nemen hartelijk afscheid van deze lieve mensen en wisselen onze adressen uit, want een vriendschap is geboren. Dan wil Guus onze maaltijd en de wijn afrekenen, maar dat lukt niet! “Er is al voor u betaald”, zegt de eigenaar van de zaak. Jörg en Patricia hebben ons, pelgrims, getrakteerd. We kunnen hen niet bedanken, want ze zijn al verdwenen. Het zijn engelen op ons pelgrimspad.


 Vertelling 11, zaterdag 4 april

 

Dieu avec vous

door Peter Molog

 

Al anderhalve week ben ik onderweg in het spoor van Emo. Voor de overnachting in Maubeuge hoef ik nauwelijks van de route af te wijken. Om een uur of zeven rijd ik weg van de Camping Municipal, op weg naar Hautmont, waar Emo op 24 november 1211 overnachtte. Het is half acht als ik Hautmont in fiets. Het voormalige Benedictijner klooster is leeg en vervallen. Er is een bakker en ik koop mijn ontbijt. Toch vind ik het nog te vroeg om te eten.

De afgelopen dagen liep de route hoofdzakelijk in westelijke richting, maar na Hautmont draai ik dan eindelijk naar het zuiden. Via kleine en soms zeer modderige weggetjes rijd ik naar Avesnes-sur-Helpes. Ik vind dit wel een mooie plek om te ontbijten. Het wordt ook wel tijd, het is bijna haf tien. Ik zie geen bankje, dan maar tegen de muur van de kerk op de grond. Ik zet mijn fiets weg, pak mijn ontbijt en laat me op de grond zakken. In de schaduw, want het is hier in de zon al redelijk warm.

Er komt een klein, geheel in het zwart gekleed vrouwtje aansloffen. Ze stopt bij de fiets en begint te studeren. Dan draait ze zich naar mij toe en vraagt in een moeilijk te verstaan dialect: “Oú est le moto?” In mijn beste Frans probeer ik uit te leggen dat er geen motor op zit, maar dat het een fiets is. Dat kost moeite, zij met haar nauwelijks te begrijpen dialect, ik met mijn roestige schoolfrans.

Dan vraagt ze hoe oud ik ben. Als ik zeg dat ik 63 ben, kijkt ze me ongelovig aan.

Waar ik heen ga. Als ik zeg dat ik op weg ben naar Rome, begrijpt ze dat niet. Ik probeer het te herhalen met een wat andere formulering. Dan nog is het niet duidelijk.

Maar als ik dan zeg: “Je vais au Pape”, kijkt ze me verbijsterd aan en zegt: “Vous allez au Pape?” Ze schudt haar hoofd, kijkt me nog een keer aan en loopt weg.

Dan draait ze zich om, zegent me en zegt: “Dieu avec vous, Dieu avec vous.”

En ze sloft weg, nog steeds hoofdschuddend van onbegrip.