Decamerone verhaal 6 tot 10

 

Vertelling 10, vrijdag 3 april

Weerzien met mijn vriend Franciscus van Assisi                                                                                        25-11-2014

door Frank van den Essenburg

Het is lang geleden dat we elkaar zo gezien en gesproken hebben. De laatste keer dat ik je zag was ik 17 jaar en had ik nog maar weinig tijd voor je. Ik was veel met muziek bezig, weet je nog? Ik had een zolderkamer van mijn 10 jaar oudere broer mogen overnemen. Hij was het huis uit en ik zag m’n kans schoon. Allemaal posters van The Beatles en The Eagles en voor jou was geen plaats meer. Dat was 10 jaar daarvoor wel anders. Ik weet nog goed hoe je daar stond.  Te midden van dieren uit het bos en vogels fladderend om je hoofd en met een gelukzalige glimlach om je lippen stond je daar met je handen gespreid en je ogen naar de hemel gericht. Ik was blij met je.

Er is daarna veel gebeurd nadat je weg gegaan bent. Ik verruilde de zolderkamer bij mijn ouders voor een 2-kamer appartement en leerde  daar mijn toenmalige vrouw kennen. En ach, zoals dat zo vaak gaat trouwden we, verhuisden naar een eengezinswoning, kregen drie schatten van kinderen en leefden bijna 25 jaar het leven van alledag , zonder noemenswaardige rimpels in de vijver. 

Tot eind 2010 door allerlei oorzaken mijn leven een drastische wending kreeg en ik alle vaste grond onder mijn voeten kwijt raakte. Alle houvast viel in één klap weg en niets voelde meer vertrouwd of goed. Ik was mezelf volledig kwijt. Wie was ik eigenlijk en waar stond ik voor? Heel mijn leven stond in één keer bij het grove vuil. Naast het verdriet was er ook het opruimen,  ontdekken, wat belangrijk en niet belangrijk is mijn leven. Loslaten en opnieuw beginnen. Trillend als een pasgeboren veulen gaan staan en míjn eerste stappen zetten.

En tijdens dat proces was je daar ineens weer… Tussen allerlei bewaarde spullen dook je plotseling  voor me op. Dezelfde glimlach en lieve ogen. Je sprak geen woord en ik had er ook geen woorden voor. Maar het voelde fijn en vertrouwd. Later kwam je nog eens. Je kwam met een goede vriend mee en je vertelde me waar je nu was.
Ik weet… je had het al eerder verteld, maar ik luisterde niet altijd met aandacht naar je. Hoe je alle vertrouwde aardse bezittingen los gelaten had. Over hoe vaak en lang je liep in dat prachtige Italië, vol van liefde en de onbeschrijfelijke dankbaarheid voor het leven dat je geschonken was. Je liefde voor de schepping en alle creaties waarin gods liefde vorm gekregen heeft. Je was geen spat veranderd en ik werd weer blij van je.

De laatste keer gaf je me je adres en een routebeschrijving hoe er te komen. Niet met een auto,  fiets of trein. Nee, ik kon je alleen lopend bereiken. Ja, vriend, dat ben je ten voeten uit. Niet de makkelijke weg!  Maar ook toen bleef het bij goede voornemens om je op te zoeken. Gelukkig hielp je me een handje door me een inzicht te schenken en  ik eindelijk mijn laatste heilige huisje durfde om te schoppen: in augustus van dit jaar vertrok ik bij mijn werkgever. Ik voelde me frank en vrij en de hele wereld lag weer open….. en ik vertrok op 4 oktober. Je kent de datum wel. Ik ging op weg naar Florence om in jouw voetsporen te lopen en je op te zoeken.

Tijdens de reis liep je vaak mee en was je zichtbaar en voelbaar aanwezig op plekken waar je geweest was, of in de mensen die ik ontmoette. Soms had je iemand gestuurd om een handje te helpen als ik het even niet zag zitten of gaf je me een zetje door me bijna de Monte Subasio op te blazen. Dat ging wel erg hard en je blies me er bijna ook weer vanaf. Maar het was fijn je aanwezigheid zo te voelen.

Toen ik bij je aankwam in Assisi, was het een emotioneel weerzien. Ik voelde dat het goed was en ik kreeg de rust en het vertrouwen waarnaar ik verlangde. Het is mooi om te zien waar je nu woont en hoe bekend je bent geworden. Overal wordt je naam genoemd en zie ik afbeeldingen of lees ik de mooie boodschappen die je geschreven hebt, zoals het zonnelied; een prachtig loflied op de schepping.

Niet slecht gedaan voor een heilige die al 800 jaar geleden geleefd en in 1226 gestorven is en nog steeds een prachtige boodschap te vertellen heeft. Franciscus, mijn vriend, als de posters van de Beatles en de Eagles al lang vergeeld zijn, zal jouw beeltenis nog steeds bestaan en voortleven in de Schepping. Dank dat ik je vriend mag zijn. Tot slot eindig ik mijn brief aan jou met de woorden die je zelf altijd gebruikt:

Pace e Bene

 


Vertelling 9 donderdag 2 april

Accueil de pèlerin

door Ben Teunissen

 

Al lang geleden heb ik mij voorgenomen geen uitputtend verslag van dag tot dag op te schrijven. Daar zijn vele redenen voor. Wat ik een beter idee vind, ga ik proberen uit te voeren: elke dag tenminste een tekening op briefkaartformaat. Daar dan een stukje dagelijkse ervaring op krabbelen en deze sturen naar een bescheiden kring familieleden en bekenden. Wanneer ik dan bij thuiskomst in ieder geval een kopie van al die kaarten mag ontvangen kan ik er wellicht een publicatie mee verzorgen. Maar dat is dan iets voor de periode van het grote nagenieten.

Op dit moment ben ik een dikke week op pad. Al wat eelt op schouders en heupen door de rugzak. En tot op heden steeds de tent opgezet dankzij de gunstig gestemde weergoden. Nu ik in het Belgische Andenne ben aangeland komt daar een einde aan, want er is hier geen camping. Dus op naar het bureau de tourisme. Met een rugzak ben je een opvallende toerist die blijkbaar privileges kent. Want ik kreeg het adres van een dame, die mij een accueil de pèlerin aanbiedt.

Nieuwsgierig ga ik naar het adres. Jawel, meneer is welkom. Maar mevrouw moet nog even een behandeling afmaken in haar psychotherapeutisch beroep. „En meneer eet ook mee, naturellement?‟. Om zeven uur mocht ik mij melden en ik kreeg een waar onthaal. Gezellig Frans babbelen aan de keukentafel met een fles wijn, terwijl Arlette de maaltijd gereed maakte. Ik zag aan de muur wel kinderfoto’s, maar een huisman bleek er niet meer bij te passen. Tegen tienen wilde ik graag douchen, maar in een solo vrouwenhuishouding was het laveren tussen de flesjes en poedertjes zonder deur of scherm! Toen mijn slaapplaats werd aangewezen, bleek ik opeens een beetje cliënt te worden, want ik moest de vijftig kussentjes op Freud’s bank maar opzijschuiven.

Nu zou Arlette nog even gezellig aanschuiven op het voeteneinde, maar deze pelgrim wil liever rustig gaan slapen. Ze begreep dat, maar niet eerder dan na mij gevraagd te hebben of ik niet soms een probleem had. Ik ontkende!

 

Uit ‘Van droom tot werkelijkheid’, verslag van een pelgrimage, Ben Teunissen,

 

 


Vertelling 8 woensdag 1 april

Soms zit het tegen en soms zit het mee

door Yannick Six

 

In 2017 besloot ik om een deel van de Via Francigena te lopen. De voorbereiding liet nogal wat te wensen over. In een paar weken tijd moest ik alle wandelspullen aanschaffen en wat proberen te trainen. ‘Het zal wel goed komen’, dacht ik. Ik ben immers nog jong. Twee weken later, in de hitte van Italië (startpunt Vercelli), met blaren op mijn voeten en last hebbend van spieren waarvan ik het bestaan niet wist, kon ik voorzichtig concluderen dat ik het wat onderschat had.

In die tijd mocht ik overnachten op een bijzondere locatie, nabij Gerlasco: Casa del Pellegrino Exodus. Hier worden jongeren met verslavingsproblemen opgevangen waarbij er tegelijkertijd ruimte is voor reizigers. Op het moment dat ik aankwam waren er veel Italianen aanwezig die daar een cursus kregen om een ostello te leiden. Er werd bij aankomst aangeraden om al je spullen zo goed mogelijk op te bergen, omdat de jongeren die daar zaten de neiging hadden om weleens wat te “pakken”. Ik kwam er al vrij snel achter dat niemand zich aan die regel hield. En het is allemaal goed gegaan. Sterker nog, de jongeren gingen de keuken in om voor iedereen een maaltijd te maken welke we met zijn allen opgegeten hebben. Het werd een gezellige avond.  

Ik moest hier nog vaak aan denken toen ik twee weken later wel wat miste. In een keurig pelgrimsverblijf waren mijn wandelschoenen namelijk gestolen (oh, ironie!). De dief had het verblijf vroeg verlaten, zijn oude schoenen verstopt en ook nog eens geld bij een andere reiziger meegenomen. Daar sta je dan, op je sokken. Gelukkig waren er militairen aanwezig die een deel van de Via Francigena liepen voor een zieke collega. Van een van hen mocht ik schoenen lenen. Ik zou een aantal dagen later langs zijn huis komen en ze weer afgeven aan zijn vriendin. Een mooi aanbod, zomaar uit het niets.

Een dag later kon ik (weer) een stel nieuwe stappers inlopen en was ik een ervaring rijker (en een paar schoenen armer). Ik belde later op goed geluk naar de verzekering (‘Nee, sorry, ik heb geen aangifte gedaan. Nee, ik heb ook geen bewijs van aankoop. Ja, het waren best prijzige schoenen’) en ik kreeg te horen dat ze alles wilden vergoeden (‘omdat het zo’n goed verhaal is’).

Op dat moment zag ik in dat de pelgrimstocht een metafoor voor het leven is: ga niet af op je eerste indruk; soms zit het tegen en soms zit het mee.

 


Vertelling 7 dinsdag 31 maart

Het verloren mobieltje

door Arnoud Boerwinkel

 

Ik sta voor een kruispunt met twee VF-bordjes. Het ene wijst naar links en het andere naar rechts. Naarmate ik mijn eindbestemming nader neemt het aantal wegen dat naar Rome leidt snel toe. En daarmee de verwarring voor de zoekende pelgrim. Ook mijn Hollandse wandelgids biedt me vandaag geen houvast in deze onzekere wereld. Als ik eindelijk een boer zie van wie ik het verlossende antwoord verwacht, stuurt ook hij me het figuurlijke bos in. De route ontbeert nu elke markering en uiteindelijk loop ik uren stuurloos over een drukke asfaltweg, waar de paar mensen die ik kan aanspreken mij het antwoord schuldig moeten blijven op mijn prangen­de vragen. Vraag ik naar de Via Francigena, dan wijzen ze me naar de Via Cassia. Maar die wil ik nu niet lopen. Dat is inmiddels een drukke autoweg. Als ik uiteindelijk aan een man de weg vraag naar Vetralla blijk ik met een flinke boog om de stad te zijn heengelopen. Ik neem een moment rust om mijn telefoontje te pakken en mijn komst aan te kondigen bij de parochie van San Francesco. En dan doe ik een pijnlijke ontdekking. Mijn mobieltje zit niet in mijn heuptasje! Ik keer het tasje drie keer binnenstebuiten, maar het is verdwenen. Dat kan twee dingen bete­ke­nen: ofwel ik heb het achtergelaten op mijn bed in het gastenverblijf van het klooster in Viterbo. Ofwel het is bij een van mijn vorige stops uit het tasje gevallen en ligt nu ergens in de berm langs de route die ik vandaag heb gelopen.

Zo kom ik onaangekondigd aan bij de parochie van de Heilige Franciscus van Vetralla. Voor de poort naast deze vroeg-Romaanse kerk staat een stevig gebouwde man met een paarden­staart en zijn schouders vol tatoeages.

‘Zoekt u onderdak voor de nacht?’, vraagt hij mij vriendelijk.

‘Inderdaad. Kan ik die hier vinden?’

‘Loopt u maar met me mee.’ En hij gaat me voor naar een donker slaapzaaltje met een paar stapelbedden en een douche.

‘Eet u ook de middagmaaltijd samen met ons?’, vraagt hij me vervolgens.

‘Nou dat zou wel heel mooi zijn.’ Ik zet mijn rugzak naast het bed en volg hem naar de eetzaal. Daar tref ik een bont gezelschap van alleenstaande moeders en hun kinderen, daklozen, alcohol- en drugsverslaafden en andere mensen die voor korte of lange tijd een steuntje in de rug nodig hebben. Als enige pelgrim bevind ik me in het bruisende hart van het opvangcentrum dat door de vrijwilligers van de parochie in stand wordt gehouden. De sfeer is er bijzonder warm en ongedwongen. Ik krijg een plaats toegewezen aan de tafel tegenover Don Luigi, de pastoor van de kerk en drijvende kracht van het centrum. Tot mijn verbazing wordt er niet gebeden voor de maaltijd en staat de televisie prominent te loeien boven onze hoofden. Don Luigi laat zijn pasta koud worden om staande bij het toestel het televisieverslag van de Formule 1 races te volgen. Als ik met veel smaak de volwaardige driegangenmaaltijd heb verorberd, maak ik hem deelgenoot van mijn zorgen over het verloren mobieltje.

‘Maar dan rijd ik toch even met u terug naar Viterbo om dat apparaatje daar op te halen’, biedt hij direct spontaan aan. En zo stappen we even later in zijn auto en rijden over de kortste weg terug naar Viterbo. Daar aangekomen vinden we de poort van het klooster hermetisch gesloten. Het aanhoudend drukken op de verschillende bellen naast de poort blijft onbeant­woord. Ergens boven ons hoofd gaat een raam open en steekt een zwaarlijvige man zijn slaperige hoofd naar buiten, overduidelijk gestoord in zijn middagdutje. Nee, de man met de sleutel van het gastenverblijf  is er niet. Nee, ik zou niet weten wanneer hij terug komt. Een uur staan we met zijn tweeën daar te wachten en ik voel me al meer en meer in verlegenheid met de situatie. Maar de pastoor trekt wat aan zijn pijpje en maakt af en toe een praatje met voorbij­gangers. Geen moment zie ik hem op zijn horloge kijken of signalen vertonen van haast of ongeduld. Dan horen we gerommel achter de deur en verschijnt een oude monnik in de deur­opening. Hij ziet er precies zo uit als de pelgrim op de VF-bordjes langs mijn weg: een klein oud baasje in een bruin habijt tot aan zijn in sandalen gestoken voeten, een touw om zijn middel, een krans van haar over zijn achterhoofd en een snorloze baard. Nee, helaas, ook hij beschikt niet over de sleutel van het slaapzaaltje. Maar hij loopt even weg en dan horen we het gerammel van een sleutelbos en komt een collega-monnik met het gereedschap waarmee eindelijk de deur kan worden ontsloten en ik weer in het bezit van mijn mobieltje kan komen. Direct loop ik naar het bed waarop ik de vorige nacht heb doorgebracht. Maar het matras is leeg. Noch onder het kussen, noch onder het matras of onder het bed: het telefoontje is van de aardbodem verdwenen.

‘Dan moet ik het toch onderweg zijn verloren’, concludeer ik vertwijfeld. Het schaamrood moet in koeienletters van mijn wangen afleesbaar zijn.

‘Nou, dan rijden we toch langs de wandelroute terug en vertel jij me waar je gestopt bent voor een pauze’, suggereert de pastoor zonder blikken of blozen. Ik weet van verlegenheid niet waar ik moet kijken en verontschuldig me duizendmaal voor deze verstoring van zijn rustige zondagmiddag.

Zo rijden we stapvoets over de prachtige in tufsteen uitgehakte weg die ik die dag gelopen ben. Totdat de weg versmalt tot een voor auto’s ontoegankelijk pad en er slechts één conclusie rest: dit is een kansloze onderneming. Ik zal mijn verlies moeten nemen en de volgende dag een nieuw toestelletje moeten kopen.

Met lege handen keren we terug in Vetralla waar de pastoor nu afscheid van me neemt. Ver­moe­delijk opgelucht, dat hij zich nu eindelijk kan concentreren op de voorbereiding van de avondmis. Of om de afloop te bekijken van de autoraces?

‘Padre, hoe moet ik u bedanken voor uw geweldige geduld en opofferingsgezindheid?’ stamel ik, zoekend naar een passende tekst.

‘U moet mij niet bedanken. Ik moet u danken. Elke pelgrim is een belichaming van Christus. Hij biedt ons de kans goed te doen. En dat is een geschenk waarvoor ik u dankbaar ben.’

Nog onder de indruk van deze bijzondere woorden keer ik terug naar mijn stapelbed. Ik open mijn rugzak en rol alvast de slaapzak uit over het matras. Daar komt een klein zwart voorwerp met cijfertoetsjes tevoorschijn.

(fragment uit “Op ’n bolletje wol naar Rome” te bestellen bij de schrijver.)

 


Vertelling 6 maandag 30 maart

Wonderlijk toeval en de rol van mijn Guardian Angels

door Martine Chardon

 Mijn wonderen of liever gezegd wonderlijke toevallen speelden zich af tijdens mijn eerste gedeelte van de pelgrimstocht naar Rome in september 2018.

Ik liep vanaf Amsterdam de Pelgrimsroute die via Den Bosch naar Maastricht loopt.

Een wonder zoals een geweldige oogverblindende lichtflits die levensreddend is heb ik niet meegemaakt. Mijn wondertjes leken nog het meest op kleine lichtgevende wegwijzertjes die overal verspreid langs de weg stonden en mij op het pad hielden. Het waren simpele tekens die in mij in drieërlei betekenis “verlichting” gaven.

 

Ik had nooit eerder in mijn eentje gelopen, dus dit was al een avontuur op zich. Wel had ik om me een beetje veilig te stellen alle overnachtingen geregeld en alle adressen ook aan man en kinderen gegeven.

Andere pelgrims ben ik amper tegengekomen, dus ik liep echt puur alleen. Ik kwam echter na een paar dagen een tweetal tegen die ik al snel mijn Guardian Angels zou noemen.

 

Ik ontmoette deze mensen op het pontje over de Lek. Het waren broer en zus en veel meer dan hun namen en het feit dat ze uit Zuid-Holland kwamen ben ik niet aan de weet gekomen. We liepen weliswaar dezelfde route maar zij waren wat avontuurlijker en regelden hun onderkomens meestal pas redelijk kort tevoren. Ook liepen ze sneller en leken erg op zichzelf te zijn. Het leek er dus op dat het een eenmalige ontmoeting zou worden.

 

Echter, het liep anders.

Het begon er al mee dat ik dezelfde dag op een dijk liep met redelijk veel verkeer. Aan beide kanten water, je kon niet echt ergens zitten. Dat was wel wat ik heel graag wilde. Ik herhaalde het in mijn hoofd als een mantra: Ik wil zó graag ergens zitten.

Op een gegeven moment zag ik een huis met een bankje aan de zijkant. Als ik daar eens …. Al zoekende naar eventuele bewoners aan wie ik de vraag kon stellen zag ik verderop een soort schuur waarvoor een groep mensen in een kring bij elkaar zat, waaronder het eerder geziene tweetal. Ik vroeg of het soms een ANWB rustpunt was.

Dat was het niet maar ik “kon wel even een bakkie krijgen”

Een oudere man bood mij zijn stoel aan, ik kon niet alleen zitten maar kreeg koffie met een koekje, mocht mijn waterfles vullen en kon gebruik maken van het toilet. Eerlijk gezegd had ik tranen in mijn ogen. Niet alleen was mijn kleine wens vervuld, ik kreeg zoveel méér.

 

Dit was het begin van een serie ontmoetingen, waarbij dit tweetal (ik noemde ze al snel mijn Guardian Angels) een rol zou spelen. Soms zag ik ze dagen niet, soms twee keer op een dag en steeds als ik even een geruststelling of raad nodig had, soms ook als ik me puur gelukkig voelde en dat met iemand wilde delen.

 

Nog een voorbeeld: Op een dag stond ik bij een viersprong. Mijn logeeradres had ver van de route af gelegen en het kostte even om weer op het pad te komen. Ik stond te twijfelen.

Moest ik echt over die grasdijk, klopte het wel en waren die koeien die er stonden niet eigenlijk stieren? Terwijl ik daar zo stond te aarzelen, zag ik in de verte twee kleine stipjes aankomen. Zouden het? En ja hoor. We hebben elkaar nog geholpen op die grasdijk te komen want er was alleen een overstapje dat over het water hing. Na een paar honderd meter vervolgden we weer onze weg.

 

De laatste dag dat ik ze zou zien was ik in Den Bosch. Er zijn daar talloze logeeradressen en de mijne had ik al een maand tevoren geregeld. Ik kwam op het adres aan en hoorde dat er behalve mij nog twee mensen zouden komen, een “moeder en zoon” Ik dacht er het mijne van en al snel hoorde ik vanuit mijn kamer een tweetal overbekende stemmen. En ja hoor!  

De volgende dag daar uitgebreid met elkaar ontbeten en gekletst. We wisten dat we elkaar waarschijnlijk niet meer zouden zien want zij zouden een paar dagen in Den Bosch blijven en ik liep verder.

 

Aan het eind van de route besefte ik dat ik eigenlijk steeds als ik echt iets nodig had ik dat altijd heb gekregen. Ik heb brood en water gehad als ik honger of dorst leed, mijn schoenen werden gedroogd die ene keer dat ze doorweekt waren. Toen mijn tenen gekneusd bleken, kon ik terecht bij iemand die mijn voeten verbond (terwijl ze eigenlijk vakantie had). Ik kreeg moeiteloos een lift die ene dag dat ik niet kon lopen etc. etc.

Erg dankbaar ben ik iedereen daarvoor en een speciale dank gaat naar mijn Guardian Angels, waarvan ik geen gegevens heb. We hebben nooit telefoonnummers uitgewisseld.

Engelen komen niet op afroep.