Decamerone verhaal 26 tot 30

Vertelling 30 donderdag 23 april

Zingeving van de Camino

door Theodor van der Velde

 

Een verhaal van een pelgrim

Ik herinner me mijn moeder nauwelijks, alleen flarden, wat los zand. Ik was zes jaar toen zij overleed. Ik herinner me mijn zoon Joost goed. Hij overleed toen hij 28 was, niet overleden aan zijn uitgezaaide teelbalkanker maar aan een depressie. Nu, 2020,  veertien jaar geleden. En, heel goed herinner ik me mijn dierbare vrouw Diane. Zij overleed op haar 69ste, ook aan een depressie. Anderhalf jaar geleden benam zij zich van het leven. Een gezin van vijf geamputeerd tot drie. Aangegroeid met de aanhang van mijn twee kinderen en twee kleinkinderen, dat wel, gelukkig. 

 

Waar, in welk hoekje van mijn geest, kan ik het antwoord vinden op de vraag: wat is de zin van het leven? Helpen herinneringen mij? Is mijn hoofd vol herinneringen, herinneringen die vervormd zijn door 68 jaar intensief leven, überhaupt in staat mij te helpen om een antwoord te vinden op die zo belangrijke zingevingsvraag? Opgeleid met een gezonde dosis wetenschappelijke kennis en onderzoeksvaardigheden, moet dat lukken toch? Redeneren naar een antwoord? Ik zoek naar antwoorden bij de grote denkers. Ik hoop ondanks de tegenstrijdigheden en ‘eigen wijsheden’ die zij oproepen met hun kijk op de zingevingsvraag een voor mij bevredigend antwoord te vinden. 

Ik loste niet zo lang geleden een belofte met (of aan) mijn overleden vrouw in. Na haar dood ben ik gaan wandelen. Santiago de Compostella / Camino Primitivo. In mijn eentje. Dichter bij de natuur kun je niet komen, dacht ik. Dichter bij iets wat groter is dan mezelf. Bergen, bossen, de jaargetijden, heldere nachten met sterrenhemels. Ratio en herinneringen neem ik mee in mijn rugzak, in mijn zoektocht naar het antwoord op de vraag over de zin van het leven. Is deze bagage voldoende naast een enkele extra onderbroek, shirt, extra sokken en een tandenborstel, scheerspullen en een lakenzak? 

Het geluid van mijn voetstappen in de stilte van de vroege mistige ochtenden, waren – met het tikkende geluid van mijn wandelstokken, het kraaien van de hanen en het vroege geloei van de koeien – rustgevend. Zo rustgevend dat ik volledig  in mijn gevoel kon komen, in het niets van het denken, in trance als het ware. Spontaan begon ik te dichten, iets wat ik niet van mijzelf ken, op wat sinterklaasgedichtjes na.

 

De zon komt op in het oosten,

Santiago is het westen

Mijn schaduw loopt op mij vooruit

Wolken doen dat verpesten

Waar is ik, wie is HIJ?

Onvoorspelbaar, die wolken, de zon

Hij schijnt weer

Voluit

Zie hem, HIJ loopt weer mee,

Zit HIJ in mij?

Ik schrik wakker uit mijn overpeinzingen, me opeens bewust van mijn echte bagage. Naast ratio en herinneringen heb ik ook het vermogen om in het gevoel van het niets te  komen. “Wat een rijkdom!”,  besef ik ten volle. Tezamen met mijn ratio en herinneringen / geheugen, vormt dit gevoel een ijzersterk trio. Waar ken ik die drie-eenheid van?

Lichaam, ziel en geest, gepredikt door vele filosofen. De een, het lichaam, kan niet zonder de ander, de ziel. En deze weer niet zonder de geest. Of verwijst het naar de heilige drie-eenheid van God, Jezus en de Heilige Geest ? Daar kan de een ook niet zonder de ander. Zonder Jezus geen God? Zonder de Heilige Geest geen trooster Jezus? Maar wel een heilige drie-eenheid? Is deze bewustwording in deze Camino een eerste vingerwijzing naar een antwoord op mijn zingevingsvraag?

Gaandeweg de Camino merk ik dat in mijn eentje wandelen een keerzijde heeft. Ik heb behoefte aan contact. In de spiegel van het contact, van de ander, worden ook beelden in mijn geest gevormd, als puzzelstukjes van het antwoord. De vraag over de zin is zo alomvattend, dat ik al wandelend kleine stukjes ontdek die in de puzzel passen, maar ook stukjes die nog niet passen. Ik krijg onvoldoende zicht op de hele puzzel. Wat, bijvoorbeeld, doet mijn karakter ertoe? Is mijn bedachte antwoord een weerkaatsing van mijn karakter? Valt mijn drie-eenheid, mijn lichaam, ziel en geest niet in vele lichtschakeringen als van een prisma uiteen? Is het antwoord niet afhankelijk van de stand van de zon en verpestende wolken en niet in een keer te vatten, niet te pakken, niet uit te leggen? Fragmenten zijn het slechts, contextgebonden, tijd- en plaats-afhankelijk.

Op een andere route, weer in mijn eentje, besluit ik, met een belegd broodje en een pakje melk uit de supermarkt, op een bankje aan de zee even uit te rusten. En het gebeurde weer: ik begon spontaan te dichten.

 

Onophoudelijk rollen ze achter elkaar aan                                                                                                    

Zover het oog reikt                                                                                                                                               

De witte kragen van de Atlantische Oceaan                                                                                               

Golven van wat? Wat lijkt …

De overtreffende trap naar het gemis en heimwee, die verdomde eeuwigheid?                                    

Of de nietigheid van het menselijk bestaan?

De zilte geur verstilt het leven, de tijd                                                                                                                                 

Van komen en gaan.

 

Nog meer puzzelstukjes. ‘Het klopt wel’, dacht ik na het schrijven van dit gedicht. De zin van het leven heeft ook te maken met zoiets als een eeuwigdurend perpetuum mobile. Voor een deel zijn stukjes aan mij verbonden, andere stukjes zijn verbonden in het samenzijn met anderen. Samen zijn we dus “de zin”? Ik raak nog meer in de war door deze overpeinzingen. Is “de zin” voor mij alleen of voor ons samen? Of staat het helemaal los van mij en ons? Het is er gewoon…, of niet? 

Dus als ik na het overlijden van dierbaren het antwoord moet vinden op de vraag: ‘wat heeft dit leven nog voor zin?’, dan heb ik niet alleen mijn ratio, karakter, herinneringen / geheugen, maar ook de medemens nodig. Ik kan nog geen voldoening putten uit deze opsomming en gedachtekronkels. Ik heb het idee steeds verder weg te drijven van het antwoord. Ik mis bijvoorbeeld mijn energie als verbindend puzzelstukje, een soort cement, een glue als het ware.

 

Ik laat het hierbij. Ik heb nog een Camino of twee of drie nodig om puzzelstukjes te vinden. Een laatste gedicht weerspiegelt mijn gedachten.

 

De Koninginnerit, de Koninginnerit,                                                                                                               

Hoog in de Wolken? Neen, het is dikke mist

Is het daar waar mijn geheim in zit?                                                                                                                  

Geknakt, maar rechtop, hoe heeft het leven zich zo vergist?

Mijn schaduw komt weer tevoorschijn                                                                                                                          

Dunnetjes, in flarden, herkenbaar, ik of HIJ mag er weer zijn                                                                         

Nog niet voldoende bereikbaar                                                                                                                             

En ik? Ik ben nog niet klaar.

 


Vertelling 29 woensdag 22 april

Alles is Boeddha

door Frank van der Bruggen

  

Na een zwerftocht van tien dagen door de Franse Jura stapten we moe en voldaan op de trein in Genève die ons rechtstreeks naar Den Haag zou brengen.

We deelden de coupé met een oud Duits dametje. Op haar schoot had ze een kartonnen doos. Ze vertelde ons dat ze al 86 jaar was en dat haar reis ging naar Rijswijk in Zuid-Holland. Ze had daar een vakantiehuisje met een vijver met drie  goudvissen. In de doos zat een apparaat om de vijver ijsvrij te houden.

‘Maar een hele treinreis voor drie goudvissen?’, vroegen wij verbaasd.

‘Auch Fischen sind Lebewesen’, antwoorde ze kordaat en omklemde de doos nog steviger.

 

 


Vertelling 28 dinsdag 21 april

Spirituele momenten langs de pelgrimsweg

door Klaas en Helen van der Poel

 

We waren aan de wandel in Noord Frankrijk. Het jaar daarvoor waren we via de GR5 van Maastricht tot in Luxemburg gekomen. Een leuke wandeling, misschien wel in de richting van Santiago, maar helemaal zeker wisten we dat nog niet. Het leek ons wel erg ver, maar ach, we zouden wel zien.

 

Deze keer hadden we onze eigen route gemaakt over D-weggetjes en zandpaden. Dat ging meestal goed maar het was ons ook al eens duur te staan gekomen als we door een onverwacht riviertje moesten waden of over een drie meter hoog hek moesten klimmen. Dat leerden we allemaal. Het betekende een mooie, maar ook wel vermoeiende tocht door het Franse land. Zo waren we gevorderd tot in de Bourgogne. Misschien een beetje teveel gedaan.  Ik had er een ‘jambe’ van opgelopen: kramp in de spieren van mijn linkerbeen, die ook met de tijgerbalsem van de herbergiersters niet weg wilde gaan. Vezelay zou vandaag ons eindpunt worden van deze etappe. Het werden zware kilometers en de ‘jambe’ speelde flink op. Maar halverwege de morgen was het zover: op een kilometer of vijf afstand tekende zich vaag een heuveltop af en op die heuvel een stipje. Zou het ….?

 

Vezelay, de stad van Bernhard van Clairvaux, die van hieruit de eerste kruistocht op weg stuurde naar Jerusalem, ruim negenhonderd jaar geleden. Ons doel in zicht! Weg vermoeidheid!

Langzaam werd het beeld duidelijker. Ja, er stond een kerk op de heuvel, de legendarische Sainte Madeleine, half Romaans, half Gothisch. Eindelijk vlakbij. De stad tekende zich boven op de heuvel af. Even rusten en de pijn laten zakken. Er passeerden groepen jongelui, zingend. We moesten verder. Rondom de stad, een steile keienweg op. Het was heet en zwaar. Dan eindelijk het koele portaal van de basiliek en de grote donkere kerk, heel mooi versierd met suggestief beeldhouwwerk. Moe maar gelukkig zetten we ons neer in het midden van de kerk om de atmosfeer op ons in te laten werken.

Op dat ogenblik sloeg het twaalf uur en kwamen van links en van rechts mannen en vrouwen het altaar op in lange witte gewaden. Monialen van het Heilig Graf, hoorden we later.  Ze begonnen te zingen, psalmen en antwoordgezangen, in een mooi en helder Frans; inspirerende gezangen over vrede, liefde en vertrouwen. Twintig minuten lang zaten we gebiologeerd te kijken en te luisteren. De woorden en de muziek landden ergens diep·in ons hoofd en in ons hart. We voelden ons overstromen van dankbaarheid en geluk. Onder het mom van de kerk te bekijken dwaalden we nog een uur rond, konden gewoon geen afscheid nemen. De rest van de dag hoefden we niet veel meer te zeggen. We wisten het zeker:  onze weg zal volgend jaar van hier verder gaan naar Santiago de Compostella, jambe of geen jambe. Geen willekeurige wandelaars meer, maar pelgrims. En dat is iets anders, toch?

 


Vertelling 27 maandag 20 april

Wonderen bestaan echt

door Niko van Hagen

 

De Camino is echt begonnen. Na een hele goede nachtrust bij Mark ging ik om kwart voor negen met bewolkt weer op stap. Door het lage Bergse Bos naar de Rotte. Af en toe brak de zon door, zodat het genieten was. Rustig aan is toch nog erg hard voor veel mensen.

Af en toe is er een wat langer gesprek met iemand. Ik heb eigenlijk niet zo’n idee van de route. 

Tot mijn verbazing kom ik in Zevenhuizen. Daar eet ik lekker een uitsmijter en dan gaat het weer verder. Ik kom in Nieuwerkerk aan de IJssel waar ik de weg ook weer herken van o.a. de Koninginnemars; ik ben nog steeds op zoek naar een overnachting. Het land is overal kleddernat dus een tent opzetten is geen optie. Mijn telefoon werkt niet goed dus internetten werkt ook niet. Geen Vrienden op de Fiets of andere overnachtingen te vinden. Een hotel dan maar want ik zit al weer rond de 20 km.

 

Hotel Van der Valk, brrrrr, maar het is niet anders.

In de bar raak ik aan de praat met ene Ad en Jaap. Als ik naar mijn kamer ga krijg ik van de receptie een envelop met € 70,= “van Ad en Jaap”. De tranen schieten me in de ogen. Wonderen bestaan echt. En als ik op mijn luxe kamer kom, krijg ik nog een telefoontje van de receptie dat zij mijn ontbijt sponsoren. Wat een lieve mensen.

Dank jullie wel! Ik zal veel aan jullie denken en af en toe een kaars voor jullie opsteken onderweg. Voor mij is het duidelijk: de tocht is echt begonnen.

Ad en Jaap, nogmaals hartelijk dank. Ik hoop dat het voor jullie ook komt; de een op de fiets en de ander lopend, want we doen het allemaal op onze eigen manier.

Tot morgen


Vertelling 26 zondag 19 april

De geest slijpen

door Ben Teunissen

 

Mijn eerdere wandelgezelschap meldt me via e-mail dat hij – sinds hij weer thuis is – zich rustig en innerlijk sterk voelt. Maar ook dat hij in de waan van de dag veel „foute energie” is kwijtgeraakt. Dat belooft nog wat voor mijn eigen ervaringen, want er zijn nog heel wat kilometers te gaan. Natuurlijk kent eenieder het verschijnsel dat wanneer je zo intens met het natuurlijk dagritme leeft, er in je hoofd ruimte overblijft voor zaken waar je anders niet aan toe komt. Een soort vakantiegevoel, maar dan anders. Wandelen richting het zuiden. Wanneer je moe bent, zoeken naar een overnachtingsplaats. Met heel weinig middelen de innerlijke mens verzorgen. En dan alle tijd voor het maken van tekeningen, het schrijven van kaarten en het spreken met de plaatselijke bewoners. Weinig „foute energie‟ verspild dus!

 

Van eenzaamheid kom ik niet om, want deze dag zal ik mijn oud-collega Piet ontmoeten. Met fiets en al komt hij uit Nederland en zal me als wandelaar van Signy l’Abbaye tot Reims vergezellen. Zodra hij van mijn plannen hoorde, beloofde hij een eind mee te lopen. Het moest natuurlijk allemaal wel bereikbaar blijven. Ik ken hem als verwoed fietser, dus de combinatie trein en fiets was begrijpelijk. De fiets bleef achter bij een hotel waar hij deze op de terugweg weer zou oppikken. We genoten van het Noord-Franse landschap, dat zich veel afwisselender voordeed dan was voorgespiegeld in allerlei informatie­materiaal dat ik vooraf bestudeerd had. Natuurlijk leek meerdere dagen wandelen over de paden langs de vele kanalen saai, maar wanneer je dan de zeldzame schepen even hard zag opschieten door de vertragende werking van de vele sluizen, kreeg je daar een kick van. Piet zorgde daarenboven voor het slijpen van de geest door allerlei filosofische problemen voor onze voeten te werpen. Over werken bijvoorbeeld: zijn levensinvulling bestaat op dit moment uit „vrij zijn van om vrij te zijn voor!‟

 

Enkele jaren geleden alweer zei hij zijn werk als docent Duits vaarwel om nu geheel in vrijheid keuzes te kunnen maken om dat te doen wat hij belangrijk vindt. Daarover kun je natuurlijk samen zeer diepgaande discussie en meningsverschillen hebben. In een filosofisch gesprek hoeft er gelukkig geen oplossing of compromis op tafel te komen, dus het was soms „pappeln ins Freie”. Ook de heerlijke pauzes blijven een goede herinnering. Ergens in een bocht van een van de vele kanalen vleiden we ons voor een petit déjeuner in het gras. Mét een fles wijn wel te verstaan, want die hadden we net in een dorp van bijna niets „gescoord‟. En dan even met je hoofd onderuit naar de voorbijdrijvende wolken staren, die je onverwachte herinneringen oproepen aan alles wat ooit in je hersenpan is opgeslagen. Samen arriveerden we voldaan in het superdrukke zaterdagmiddagse Reims, waar we een goed bij ons passend onderdak troffen. Na een heerlijke avond namen we de volgende dag afscheid van elkaar. Piet moest naar huis, want zijn „thuiswerk‟ wachtte op hem!

 

Uit ‘Van droom tot werkelijkheid’, verslag van een pelgrimage, Ben Teunissen