Decamerone vertelling 16 tot 20

Vertelling 20 Tweede Paasdag 13 april

2019 04 22 De eerste loopdag

door Teja van Hoften

 

Vanwege grote onrust ben ik een dag eerder bij mijn vriendin in Les Autels (Noord-Frankrijk) vertrokken, er helemaal niet aan denkend dat het tweede Paasdag is en in Château Porcien echt alles dicht: het pelgrims ‘local’, het gemeentehuis, alle winkels en ook het restaurant waar je de sleutelcode kan krijgen.

Bij het gemeentehuis hangt een lijst met zeven adressen die pelgrims verder kunnen helpen. Verhit door een dag-lang-lopen bij 26 graden in de volle zon, maak ik een foto van de lijst en zoek snel de schaduw van een door drie pubers bezet portiek.  Als ik het nummer intoets en erna op het groene telefoontje druk, wordt deze onmiddellijk rood. Ik hoor geen beltoon overgaan en denk telkens dat ik iets fout doe. Achteraf moest ik meer geduld hebben en ging hij na enige tijd wel over en betekende het rood worden niet dat het bellen was gestopt, maar dat dat de enige volgende handeling zou kunnen zijn, namelijk weer ophangen.

Het meisje dat niet alsmaar door de jongen geknuffeld wordt, is nieuwsgierig naar me, biedt me een chocolaatje aan en vraagt wie ik ben en waar ik naar toe ga. Als ze mijn hulpeloos geklungel ziet, biedt ze aan voor mij te bellen en hardop, zodat ze kan meepraten als ik de ander niet begrijp. Het is de laatste op de lijst, die uiteindelijk antwoordt en zegt, dat hij niet in Chateau Porcien is en pas over twee uur terug kan zijn.

Haar had ik moeten interviewen.

Tijdens mijn eerste etappe vanaf huis (Burgh-Haamstede naar Les Autels in 2017) vroeg iemand me namelijk waarom ik in godsnaam zoiets deed, al dat gesjouw en geploeter. Het enige antwoord, dat ik kon verzinnen was, dat ik daar nu eenmaal heel erg gelukkig van word. Nu het mij eenmaal duidelijk was, dat ik niets anders deed dan mijn geluk achternalopen, heb ik onderweg regelmatig aan mensen die vraag gesteld. Waar word jij gelukkig van? Wat is jouw weg in het leven? En onmiddellijk is er een bepaalde intimiteit, komen hele levens op tafel. Misschien is het ook wel gemakkelijker ontboezemen bij een voorbijganger die de volgende dag alweer uit je leven stapt. Maar het leidt vaak tot hele mooie en soms ook droeve gesprekken zoals de man, die dacht nooit nog gelukkig te kunnen worden.

 

Het is zo’n lief en behulpzaam meisje, vers roodverbrand in haar hemdje en korte broek, een spichtig gezicht met een gulle volle mond alsmaar lachend. Hoe is het om in dat gehucht te wonen, waar de enige leuke jongen al door je vriendin is ingepikt? Wat zou zij voor dromen hebben?

Maar de onbedwingbare behoefte te zitten en mijn schoenen uit te trekken maakt dat ik onmiddellijk naar het pelgrimsverblijf terugga, waar buiten een picknicktafel staat en ik me daar installeer om het avondeten te inventariseren: een half flesje water, wat koekjes en nog een stuk brood. De overburen zitten buiten bij de garage en bieden aan mijn flesje met vers, fris water te vullen. Als ze mijn situatie eenmaal doorhebben, onderneemt de vrouw onmiddellijk actie, verdwijnt met de auto en komt een halfuurtje later terug met een tas vol etenswaar; een kleine baguette, radijsjes, tomaten, koekjes, een grapefruit, appel en zelfs een magnetronmaaltijd. Ze was ooit binnen geweest en wist dat daar een magnetron was. Als dan ook de deur voor me wordt open gedaan, ben ik helemaal blij.

Het is er super de luxe, nieuw, schoon. Zelfs kussens en papieren slopen en bij elk bed een plankje met daaronder je eigen stopcontact. De volgende ochtend kan ik bij de supermarkt een tientje betalen en op het gemeentehuis een stempel halen.

Wat goed van vertrouwen. Wat een geluk heb ik weer gehad.

 

Mijn hometrainer-hobbelpaard in tijden van corona

Berg op

Berg af

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Meer informatie over andere teksten en beelden (onder andere ook over het wandelen) op mijn website


Vertelling 19 Eerste Paasdag 12 april

Paasfeest in Monte Oliveto

door Klaas van der Poel

 

We hadden het ergens opgepikt in een reisgids van Toscane: Monte Oliveto. Het op één na grootste en oudste Benedictijnen klooster in Italië, gelegen achter Buonconvento, niet ver vanaf onze route in de heuvels. We hadden gebeld vanuit Siena en na een Italiaans/Spaans/Engelse conversatie had de pater gezegd dat we maar langs moesten komen en naar Padre Tomasso moesten vragen.

We  zorgden dat we er vroeg waren, maar nee, Padre Tomasso was er niet. En nee, overnachten kon alleen als je gereserveerd had, het was immers het Paasweekend. Maar we mochten wel wachten op Padre Tomasso.

 

Na het middaguur bleek Padre Tomasso toch echt te bestaan. We deden ons verhaal. Hij fronste wat en vroeg ons nog even te  wachten.  Een half uur later kwam iemand ons halen en bracht ons naar een prachtige kamer in het gastenverblijf, la foresteria. We hadden al uitgevonden waar de ‘kapel’ (een soort kathedraal) was en lieten de atmosfeer van het grote klooster op ons inwerken. Om drie uur waren de vespers.

 

Een koor van geoefende stemmen zong in perfect Gregoriaans de gezangen van Goede Vrijdag: ‘Christus is voor ons gehoorzaam geworden. Wellicht de meest meeslepende gezangen van het kerkelijk jaar. Toen het donker begon te worden was er een kruisweg. Het pad door het park met de cypressen was met kaarsjes verlicht. Daar trok een lange stoet van monniken en andere mensen doorheen, lopend, knielend, zingend en biddend.

Die nacht was het doodstil en aardedonker.

 

Ook de volgende dag was het stil. Het was immers Paaszaterdag, de dag dat Jezus rustte in het graf. Ook voor ons was de rustdag goed. We hadden twee weken onafgebroken gelopen. Nu rustten we in de schaduw van de olijfbomen. We lazen wat, schreven in ons dagboek en ik maakte wat tekeningen van de omgeving. Maar ‘s nachts, een paar uur na middernacht luidde een bel. We haastten ons naar het klooster. Buiten in de binnenhof verzamelde zich een stoet van monniken.  Stil was het, verwachtingsvol. Toen werd midden in de hof, onder een heldere sterrenhemel een vuur ontstoken. Een kaars ontbrandde en nog één en nog één. Met brandende kaarsen in de hand zette de stoet zich in beweging. Meer kaarsen gingen aan en toen barstte in de kapel het feestlied los. Dit is het ware licht! Licht van Christus! Alleluia!

 

Het was feest en het bleef feest, twee uur lang. Toen was het over. Iedereen feliciteerde elkaar en omhelsde elkaar. Er was te eten en te drinken en het was licht. Het was Pasen!! We gunden ons een uitgebreid ontbijt met koffie en paaseieren. We waren blij. De zon scheen. We dansten de berg af en riepen naar ieder die we tegenkwamen: Buona Pascua, tot aan Montalcino toe. Het was immers feest.

 


Vertelling 18 Stille Zaterdag 11 april

Na 800 jaar Emo achterna

door Peter Molog

 

Het moet in 1959 geweest zijn. Ik was zeven jaar. Met de Volkswagen Kever op familiebezoek in de provincie Groningen. Ik zat met mijn broertje achterin. Plotseling roept mijn vader: “Kijk jongens, daar bij dat kerkje heeft vroeger een klooster gestaan, en de abt heette Emo.” En hij wees naar de kerk van Wittewierum.

Ik weet niet of hij er nog meer over zei, maar voor mij was dat de eerste kennismaking met Emo.

 

In 1971 ging ik vanuit Breda naar Groningen om aan de HTS bouwkunde te studeren. Op vrije dagen en in het weekend ging ik vaak fietsen in de provincie. Op een dag beland ik in Westeremden, en sta ik ineens voor de Abt Emo School. Gedurende mijn jaren in Groningen merk ik dat er meer mensen zijn, die de naam Emo kennen, maar niemand weet precies wie het was.

 

Op 8 juli 2011 staat er een recensie in het NRC van een boek van Dick E.H. de Boer, Emo’s Reis. Ik roep direct: “Dat boek moet ik hebben”. Ik ga snel naar onze plaatselijke boekhandel en koop het boek. Wat ik niet zie, is een ingezonden brief in het NRC van een paar dagen later, van Fokko Bos, destijds nog winkelier van het inmiddels verdwenen Pied à Terre. Hij schrijft daarin: “Nu is nog het wachten op een praktische beschrijving voor een hedendaagse pelgrimage over deze route, want het boek Emo’s reis, zo groot ‘als een kloostermop’ kan deze functie niet vervullen.”

 

Het boek is prachtig uitgegeven, maar ik ben het, zonder het te weten, helemaal eens met Fokko Bos. Voor- en achterin het boek staan summiere kaartjes van de heen- en de terugreis. En de kaartjes van de afzonderlijke dagen lijken meer op metrokaarten. De Boer reconstrueert de hele reis van Emo, maar is vaak opmerkelijk vaag in het noemen van de meest waarschijnlijke overnachtingsplaats. Het is natuurlijk ook onbegonnen werk om over een afstand van 800 jaar zoiets nog te benoemen.

 

Voor mezelf wil ik wat meer inzicht krijgen in de hele reis. Ik begin met alle plaatsen die De Boer noemt op de kaart te zetten. Gaandeweg ontstaat dan het idee: “Zou je deze tocht vandaag de dag nog als fietstocht kunnen maken?”

Dat maakt het noodzakelijk om alle locaties die in het boek genoemd worden ook letterlijk op de kaart te zetten. Dagen, weken breng ik door achter mijn beeldscherm om alles op te zoeken. Soms gaat dat snel. Een met naam genoemde kerk of klooster is vaak wel snel te vinden. Lastiger wordt het als de kerk of het klooster is verdwenen. Langzaam leer ik dat dan ook het zoeken naar een Rue de l’Eglise of de Klosterstrasse een oplossing kan geven.

Na een paar maanden heb ik zoveel informatie verzameld, dat ik besluit om een aanzet tot fietsroute op een website te publiceren. Op 29 januari 2012 maak ik bekend dat er een nieuwe fietsroute naar Rome is. Het is dan 800 jaar en 10 dagen geleden dat Emo aankwam in Rome. In september 2012 kan ik melden dat ook de terugreis gereed is.

 

De volgende jaren blijf ik me bezig houden met het verfijnen van de route. Ik krijg ook de eerste feed-back van mensen die de route hebben gefietst. In de winter van 2014/15 besluit ik dat ik de route ook zelf wil gaan fietsen. Lang is het voor mij een studeerkamerproject geweest en ik ben ook geen liefhebber van fietsen in warme landen. Geef mij maar Schotland. Maar ik ben er zo lang mee bezig dat ik niet anders meer kan. Emo is langzamerhand een deel van mij geworden.

Om de ergste warmte in Italië voor te zijn vertrek ik al op 29 april 2015. Nog maar twee dagen onderweg krijg ik een bijzonder gevoel. Ik rijd Emo achterna. Ik ben een draadje aan het spinnen van het zompige land van Groningen uit het begin van de dertiende eeuw naar Rome. En iedere dag wordt dat draadje een beetje langer.

 

Op 1 december 1211 kwam Emo aan in Soisson. Het nieuwe koor van de kathedraal is dan net uit de steigers. Omdat Emo’s reisgezel Hendrik in de bouwkunde geïnteresseerd was, zullen ze ongetwijfeld de kathedraal hebben gezien.

Tijdens de Eerste en de Tweede Wereldoorlog ontstaat er nauwelijks schade aan het koor. Het staat er nog altijd zoals het destijds gebouwd werd. Op 8 mei 2015 sta ik in de kathedraal in Soisson en zie het koor. Met een afstand van meer dan 800 jaar kijk ik over de schouders van Emo en zie ik wat hij ook zag.

Zie ook de website


Vertelling 17 Goede Vrijdag 10 april

Francigena in tranen: heimwee

door Bert Roebert 

 

In 2010 in de Kathedraal van Rochester startte ik mijn pelgrimsweg naar Rome. Het bisdom daar bestaat al sinds de 7e eeuw. Een gigantische kathedraal. Ik was daar alleen, heel vroeg met mijn rugzak en woonde de H. Mis bij. Het was in een kleine kapel, ter zijde in die lege kathedraal; de Mis werd opgedragen door aarts-deken Simon Burton-Jones van de kathedraal. Er waren nog twee andere mensen. Zij zongen in de volkstaal de bekende hymne: Domine, ad adiuvandum me festina, gloria, patri et filio …. . In deze Anglicaanse kerk werd ik uitdrukkelijk uitgenodigd te naderen tot de tafel. Het was een heel bijzonder moment en ik beleefde de heilige katholieke apostolische kerk. Aan het eind van die Mis kreeg ik het te kwaad, ik wist niet wat mij overkwam. Ik moest enorm huilen en de tranen stroomden over mijn wangen. Eigenlijk begreep ik die tranen niet en misschien kun je tranen ook wel nooit helemaal duiden. Na de Mis kwam de deken Simon naast mij zitten, dat gaf een goed gevoel en troost.

 

Als je tranen hebt, ben je dicht bij jezelf, zei mij ooit een psychologe. Tranen kunnen van alles betekenen, van diepe droefheid tot intense vreugde. Onlangs op een ochtend, nog in bed, dacht ik weer aan die tranen van weleer in die zo religieuze omgeving van Rochester. Waar kwamen die vandaan? Het enige dat ik die ochtend kon bedenken is heimwee en verlangen. Heimwee naar de eenvoud van Geloof en Kerk in de vervlogen jaren van mijn jeugd, een eenvoud waarmee ik nu niets meer kan beginnen. Verlangen ook naar samen. Misschien waren het ook wel tranen van gewonnen vrijheid die ik ervaar als ik met de rugzak of de fiets op pad ga. In dit geval was het op weg naar Rome, naar het Campo Santo Teutonico naast de Sint Pieter, naar het graf van de priester-politicus mgr.dr. Herman Schaepman.

 


Vertelling 16 donderdag 9 april

Mijn vriend

door Henk Nijland

 

Het is een bijzonder type, mijn vriend. Als ik er over denk, past hij wel bij mij; eigenwijs, rustig van aard en gewillig van oor, om naar mijn verhalen te luisteren. Ik kan hem al mijn geheimen vertellen, want hij is 100% betrouwbaar.
Op mijn fietstochten gaat hij vaak mee. Soms in de morgen rijdt hij voor mij. In de middag is hij soms links of recht van mij. Ondanks deze wat bijzondere aanwezigheid ben ik blij met hem en het maakt mij vrolijk.

Ik praat tegen hem, maar nooit heeft hij zelf een verhaal, maar we begrijpen elkaar wel. Als ik in de middag een berg op moet fietsen, kan hij mij goed bijhouden en luistert naar mijn klaagzang.
Toch lachen we ook veel met mooi weer, want ik deel veel verhalen. Hij heeft maar één nare eigenschap. Zo gouw het bewolkt is of het regent is hij weg. Dat zelfde heeft hij ook met steden met nauwe straten.
Dat vind ik niet leuk!

Mijn vriend; mijn schaduw wat ben ik blij als je mee fietst!