Decamerone vertelling 21 tot 25

Vertelling 25 zaterdag 18 april

Cadeau van de camino

door Rinus Kreeft, toekomstig Romeganger


Op een van de laatste dagen van mijn wandeling naar Santiago de Compostela over de Camino Norte ergens eind mei 2014, voerde mijn weg over een gevarieerd terrein met heuvels, bossen en kleine verstilde dorpjes; kortom een plezier om langs te wandelen.
Mijn slaapplaats voor vandaag is gelegen in Miraz, een klein dorpje in de provincie Lugo, waar een albergue gerund word door de “brothers and sisters van de Confraternity of Saint James”.
Ik kom zo rond de klok van 15.30 de albergue binnen en word begroet door een alleraardigste sister die mij na het inschrijven in het pelgrimsregister vertelt dat als ik opschiet ik nog getuige kan zijn van een onthulling van een gedenksteen. Die is neergezet ter nagedachtenis aan een van de beheersters welke een jaar ervoor overleden was. Er werd tevens vermeld dat er wijn en tapas geserveerd zouden worden.
De plechtigheid zou om 16.00 uur beginnen, dus ik moest opschieten. Snel even een verkwikkende douche, schone onderbroek en shirt, haartjes kammen, vuile was even in een emmer en net op tijd sta ik met een twintigtal mensen in de tuin.

Nu ga ik eerst een jaar terug in het verhaal. Dit om duidelijk te maken waar de clou van het verhaal zit. Ik had het jaar voor mijn vertrek (2013) het idee om zelf een tattoo te ontwerpen die voor mij verbeeldde wat de camino zou kunnen zijn. Dit ontwerp is door de tattoo Artist uitgewerkt tot wat het nu is. Deze tattoo is in mei 2013 gezet. Houd dit even vast tot het einde van het verhaal.

 

Nu weer terug naar de onthulling van de gedenksteen. Tussen de gasten in de tuin, pelgrims, vrienden en bekenden staat ook de maker/ontwerper van de gedenksteen, een “echte” steenhouwer. Ik schat hem zo een 1,95  meter lang, grote zwarte baard, woest uiteen staand haar met bandana en om het geheel compleet te maken een dikke gouden oorring; kortom het uiterlijk van een zeerover.

Ook deze piraat moest een woordje doen over het vervaardigen van de steen, het ontwerp en hoe lang hij er mee bezig was geweest.
De geestelijke die speciaal over was gekomen voor deze plechtigheid deed zijn prevelementen en wijdde de steen in met heilig water, waarna de doek die over de steen hing door de weduwnaar verwijderd werd.

Toen ik de afbeelding op de steen zag werd ik ijskoud en het kippenvel stond op m’n armen: is dit toeval of……? De afbeelding op de steen kwam sprekend overeen met de afbeelding die ik al een jaar op mijn arm droeg.
Nadat ik de “zeerover“ had gesproken bleek dat wij beiden in dezelfde periode (mei 2013) ongeveer dezelfde gedachtes hebben gehad over het mogelijke ontwerp van een steen, resp. tattoo. Hoe is het mogelijk dat twee mensen op een afstand van ruim tweeduizend kilometer dezelfde brainwave hebben gehad?

Ik vond dit een cadeautje van de camino.
‘s Avonds dronk ik met de weduwnaar en de steenhouwer nog een kleine biertje in de plaatselijke herberg en de volgende dag liep ik met een zwaar hoofd maar met lichte tred door naar Santiago de Compostella om gezegend te worden door Sint-Jacobus.

 

 

 


Vertelling 24 vrijdag 17 april

MIJN WANDELSTOK

door Ton Verschelling – 7 april 2020

 

Onderweg ben je mijn beste kameraad.
Je hebt een mooie gebogen hals en ligt prettig in de hand.
Ik heb je versierd met schildjes van plaatsen waar ik geweest ben.
Ik houd van je.
Maar je bent niet altijd trouw.
Je heb me nogal eens in de steek gelaten.
Je bleef wel eens ergens hangen, staan of liggen.
Waarom bleef je hangen in die supermarkt? Staan in de hoek van een café, liggen in het bagagerek?
Waarom?
Gelukkig had mijn hand het gauw door. Hij kreeg ontwenningsverschijnselen. Hij miste je.
Het stokgevoel.
Hij gaf een seintje naar mijn hoofd.
Waar is mijn stok? Oh my God!
[Eén keer, het was op de Via Triomfale, iets ten Noorden van Rome, heb ik  hardop op zijn Hollands staan vloeken, niet omg dus maar gvd. Moest ik twee kwartier die rotweg heen- en teruglopen; maar je hing er nog wel, hoor. Brave stok.]
Ze hebben je ook wel eens nagebracht.
In Sutri kwam de bakkersvrouw je brengen toen ik al een winkel verderop was. En, mooist van alles, in een gîte in de Jura.  Ik was al een eind verderop toen ik je miste (sorry). Ik belde naar de gîte. De mevrouw had een prachtig idee:
ik geef hem mee met een leverancier die hier is en dezelfde weg volgt als U.
Even later: bestelbusje, arm uit het raampje, zwaaiend met jou!
Je finest hour!

Maar ja, het is ook een keer gruwelijk misgegaan. Dat was in Straatsburg.
Ik zat te wachten op een bankje van het station.
Waar blijft die trein?
Bleek ik wel het goede perron, maar niet het goede spoor te hebben.
De trein stond 100m verder, op punt van vertrekken. Een sprintje, nog net op tijd. Pas in de trein…… je snapt het al.
Nooit meer teruggekregen, ondanks verwoede pogingen.
Ik zie je fronsen.
–  Hoe komt het dat ik hier niets van weet?   

Klopt. Jij ben mijn tweede, ik heb het je nooit verteld. Bij deze.

 


Vertelling 23 donderdag 16 april

De engel op de trekker

door Titia Meuwese

 

Ik trok in 2015 met mijn Frank dwars de Povlakte over, want Frank wilde graag een stukje langs de Middellandse Zee. Dus we waren op weg van Vercelli naar Genua. De dag voor die van mijn verhaal was het bijna helemaal misgegaan: ik had een weg uitgetekend naar de verkeerde herberg in een heel wijdlopig gehucht. Daar stonden we, tien kilometer van de juiste plek van de herberg en we hadden al 25 kilometer gelopen. Wat nu? De herbergier wilde ons wel ophalen, hij was toch alleen. Hij had een agriturismo in een mooi landhuis en kookte lekker eten voor ons.

De volgende morgen bracht hij ons naar de goede weg langs wat kleine geitenpaadjes en we namen afscheid. We wilden lopen naar Sassello, al over de waterscheiding richting de kust. Vandaag stapten we Piemonte uit en Ligurië in. We wezen de man van de agriturismo op de orchideëen die op zijn terrein stonden. Die kende hij zelf niet. Nu waren we op een zijweg langs de heuvelrug. Die bleef eerst een stuk hoog en liep dan naar beneden naar een dorpje Rovereto. Een arm dorp, niet zo vreemd met die erosie op de heuvel. Mooie bloemen stonden er weer, de grote affodil, zoals vaak meteen een heel veld.  

Op een splitsing stonden we even naar de kaart te kijken. Een auto stopte naast ons en een jonge man vroeg in het Engels waar we heen wilden. Mioglia zei ik, hij antwoordde Mioglia or Migliolianda? Italiaans tongbreken. Langs weilanden ging het weer flink omhoog, en op de kam waren we in Liguria. Piemonte is echt een grote regio, Liguria is veel kleiner. Nu stond het land werkelijk weer vol orchideeën. Voor het lunchen in een weiland vonden we met moeite een plek waar we niet boven op een orchidee terecht kwamen. In de dalen waren de bladeren en bloesems aan de bomen een mooi schakering van wit via lichtgroen naar bijna zwart. De bergen lagen nu dicht voor ons. Beneden in het dal liepen we over een recht stuk weg, wel een kilometer. Dat viel ons nu op, want in de Povlakte waren kaarsrechte wegen natuurlijk normaal. In het eerste dorp aan deze weg hoopten we weer eens op ons kopje koffie. Daarvoor liepen we tot een kilometer voorbij onze afslag.

 

In het dorp ontbreekt de bar. Wel is er  een kerk. Daarnaast ligt een parkje met allemaal gedenkstenen voor mensen die in het laatst van de oorlog zijn omgekomen. Het moet hier dramatisch zijn geweest. We lopen maar weer terug naar onze afslag, dan maar geen koffie. Net buiten het dorp verschrikken we een hert. Hij holt verontwaardigd opzij en even later steekt hij nog eens de weg over. Sufferd. Nu komen we weer dicht bij een vrij essentieel stuk pad: soms maakt het niet veel uit als je de weg niet precies hebt, maar soms betekent een weg missen helemaal geen doorsteek, of een riskante. Dat maakt me elke keer nerveus, het blijft mijn verantwoordelijkheid om te zorgen dat we er komen. En na gisteren moet het natuurlijk niet nog een keer misgaan. Eerst linksaf langs een klein dorpje.

Dan wordt het tellen: twee paden van links, drie naar rechts en dan moet ons pad naar rechts er zijn. Tsja, daar zijn opeens vier wegen, twee meer dan op de kaart staan. We dubben, het is nog wel niet laat, maar evengoed weten we niet wat we moeten doen. Je moet wel beseffen dat dit nog in de tijd was voor we onze route op een gps-track hadden, dus we konden niet met de telefoon controleren wat onze geplande weg was…

 

In de verte horen we een trekker aankomen langs één van de wegen. Hij komt onze kant op, uit een bosweg. Het is zo’n oude trekker, misschien al wel 25 jaar oud en de man die er op zit is zeker tachtig, een boer met een vaalblauw jasje en een pet op. We besluiten de man te vragen of de weg die hij uitkomt naar Sassello gaat. Ons Italiaans is wel niet erg goed, maar we kunnen wel vragen: “La strada per Sassello per là  o per là?”

“ Si, per là”, zegt hij en wijst de weg waar hij uitkomt. “En vooral niet de andere weg nemen, die gaat heel hoog over de berg”. We bedanken hem hartelijk en heel wat meer gerust gaan we het pad in. De boer gaat verder naar het dorp. Wat zou die man daar gedaan hebben? Het is eigenlijk alleen maar bos. Misschien gewoon een eindje om met de trekker op zondag? Of had zijn vrouw hem op pad gestuurd zodat ze rustig de zondagslunch kon koken?

De weg buigt op het goede punt duidelijk naar links en dan zijn we in een heel ander gebied: een weg langs de rotsen, boven een breed bergdal. Wilde donkere rotsen om ons heen, waarschijnlijk veel ijzer. Helemaal verlaten is het, hier en daar een lelie, een affodil en een graslelie. Niemand had ons hier kunnen helpen als we de verkeerde weg hadden genomen. Na een uur dalen we af naar de rivier. De weg valt niet mee, het is toch nog ver en het gaat weer omhoog, vals plat. In het hotel krijgen we totaal ander eten dan de hele week ervoor.

We zijn nu in Ligurië, dus is er vis en torta verde.


Vertelling 22 woensdag 15 april

Een gedicht uit mijn reisboekje

door Ger Lenssen.

Op mijn pelgrimstocht in 2008 van Fiesole naar Assisi over

de Caminni di Francesco stond het onderstaand gedicht in mijn reisboekje.

Het spreekt me tot op de dag van vandaag nog steeds erg aan.

Dit gedicht is van Peter Härtling  (1933-2017)

 

De Toscaanse bomen.

 

Hier, waar de heiligen van hun sokkels springen

waar kerken tussen de huizen staan

waar de straatjes maar zuinigjes de hemel laten zien

en oude mannen de taal van de duiven verstaan.

 

Hier, waar op weidse pleinen

de schaduwen leren dansen en de musea

de glimlach van de Madonna’s bewaren

voor een volgende dag.

 

Hier, waar de adem van de aarde heuvels opwerpt

waar Francesco voor de zon steeds weer een nieuw lied uitvindt

en de horizon kwistig met haar rijkdom omgaat

 

Hier, kun je van verre en dichtbij

de bomen zien wandelen.

 

 


Vertelling 21 dinsdag 14 april

Franciscus fietste mee.

door Adri van Oosten.

 

We droomden er altijd al van, zomaar weg te fietsen, met de tent achterop, naar het zonnige zuiden. De boel de boel laten. Zwerven, trekken, vrij zijn. Op een dag vertrokken we, fietsten België en Frankrijk door, staken over naar het ruige Corsica en het lege Sardinië en belandden in de Stad der Steden Rome. Na 2,5 maand en 2500 km verder met slechts één lekke band eindigde onze droomreis in Assisi, de geboorteplaats van de milieuheilige Franciscus.  We sliepen in ons altijd zonnige honingraad tentje, bij noeste boeren, bij nonnen in kloosters en zelfs in een ‘varkenshok’. Het was een avontuurlijke droomreis en een wonderlijke pelgrimstocht.

Het gaat al goed fout op de eerste dag van ons vertrek, net over de grens met onze zuiderburen in een leuk fietscafé aan de Moervaart in Moerbeke. Het terras is gezellig vol, met vooral tweewiel-genieters. In de zon eten we een pannenkoek, drinken koffie, de ultieme dope voor fietsers, en willen weer verder trekken als mijn vriendin haar fietssleuteltje kwijt is. Dat begint al vroeg! Overal gezocht: op het terras, in het toilet; nergens te vinden. Paniek. Wat nu?

Vertwijfeld roep ik intuïtief Sint Antonius aan, de beschermheilige van verloren voorwerpen en pelgrims met de bekende woorden: “Heilige Antonius, beste vrind, maak dat Jannie haar fietssleuteltje vind.”  

“Ga nou toch gauw fietsen,“ bemoeit Alter Ego zich er tegen aan. Voor ik hem kan wijzen op het kromme van die opmerking zie ik het sleuteltje naast ega d’r fiets liggen!

Dagen later fietsen we langs het Canal du Marne á la Seine in Oost-Frankrijk. Het pad is goed, het schiet lekker op, we zoeven voort.

Maar dan. De bewolking wordt dikker en het begint te regenen. Eerst aarzelend, maar al vlug steeds meer. We stoppen bij een onbewoond sluiswachtershuis om te schuilen onder een afdak. Het begint steeds harder te regenen, de lucht zit potdicht en er is nauwelijks wind.

“Dat kan zo wel uren duren,” vrees ik met mijn Hollandse kennis van het weer.

Vertwijfeld hef ik mijn handen omhoog, kijk naar boven en roep in een opwelling: “Franciscus, help ons, zo komen we nooit in Assisi!“. Tot mijn stomme verbazing houdt het na enkele minuten op met regenen, de hemel boven de Marne wordt lichter en even later breekt de zon door!

Rationeel denkend geloof ik niet in zoiets als het aanroepen van heiligen in dit soort situaties, maar toch…

Ik ben er helemaal beduusd van.