Decamerone in tijden van Corona

Vertelling 5 zondag 29 maart

De eenzame Goudvis

Fietstocht Duiven-Rome 2009-08-21

door Henk Nijland

Iedereen zegt: “Rome bij avond is zo mooi om te zien!”
Vanavond moet het dan maar gebeuren. Ik ga op de fiets naar de stad. Alle lichtjes die ik aan kan doen op de fiets gebruik ik. Wel besef ik het risico. Overdag is Rome al moeilijk voor fietsers en moet je goed opletten. Bij avond is het dubbel opletten.

Dit is genieten!
Rome bij avond is het toefje slagroom op de taart. Ik fiets naar Plaza Neuve. Nog steeds is het plein een totaalbeeld van het Italiaanse avondleven. Men zit op bankjes te praten, kinderen lopen rond.

Ik maak foto‘s van een man met een bijzondere fiets. Naast zijn voorwiel zit een houder met een fles wijn. De waterflessen zijn vervangen door bierflessen. Een soort ‘alcohol-fiets’. Op het stuur heeft hij een radio met kleine boxen. Dan is mijn fiets maar kaal.

 

 

Ik bezoek de Trevi-fontein  en het Colosseum.

Dan hoor ik iemand zeggen; “Dat moet een Nederlander zijn met een Gazelle“.

Ja het is Henkopweg in “Rome by Night.“

De fietstocht terug naar de camping in Prima Porta is 12 km vanaf het centrum en verloopt perfect. Tevreden kom ik in het donker bij mijn tentje. Mijn buren Jan en Marja, die ik meerdere keren onderweg naar Rome heb ontmoet, slapen.

Ik heb een geleende plasticstoel bij mijn tentje staan en vermoeid plof ik in de stoel. Met dezelfde vaart spring ik weer omhoog. Mijn achterwerk is volledig nat.
Bij nader onderzoek met een zaklamp, vind ik een kapot plasticzakje en een briefje. 

“Henk, we hebben een goudvis gevangen in de Tiber.

Wil je hem meenemen naar NL?

Hij was zo alleen en bij ons zwemmen er meer in een….
PS als hij er niet meer in zit, dan heeft de kat…….. Marja.”

Bedankt buren, voor mijn natte achterwerk.
In het donker van de campingnacht kan ik er wel om lachen .

 


Vertelling 4 zaterdag 28 maart

De engel van de metro

door Bea Wijnberg

 

Mijn verhaal begint op de terugreis vanuit Vezelay.

Ik had de eerste etappe naar Santiago afgelegd en kwam op de terugweg met de trein aan in Parijs. Zo vanuit de stilte en het groen werd ik overvallen door het lawaai en de drukte van de stad. In een moment van onbezonnenheid besloot ik de metro naar Gare du Nord te nemen i.p.v. te gaan lopen.

En dat heb ik geweten.

Kennelijk  toch de verkeerde metro. Totale ontreddering moet van mijn gezicht te lezen zijn geweest. Naast mij dook een jonge vrouw op.

“U bent verdwaald, hè?”. Dat kon ik alleen maar volmondig beamen.  “Waar moet u heen? Dan breng ik u”.

“Gare du Nord, maar meent u dat?”

Zij knikte en bij de volgende halte stapten we uit, liepen een stuk en stapten in een volgende metro. Op Place de la Republique stapten we voor een laatste keer over.

“Als er engelen bestaan, dan bent u er een” zei ik en de jonge vrouw lachte even.

“Hier moet u er uit” zei zij. De metro stopte en langs mij heen opende zij de deur. Ik pakte  mijn bagage (een wheely i.p.v. een rugzak) en draaide mij om om haar te bedanken. Van de jonge vrouw geen spoor. Niet in het rijtuig, niet op het perron en niet in de gang die naar de stationshal leidde.

Ik had mijn engel van de weg ontmoet.

 

De volgende etappes heb ik haar meegenomen en gevoeld dat ik niet alleen liep.

 


Vertelling 3 vrijdag 27 maart

Haute-cuisine in Beaufontaine.

door Frank van der Bruggen

 

Onze reisgids van 1991 over de zuidelijke Vogezen was tot nu toe, wat overnachtingen betreft, nogal onbetrouwbaar gebleken. De aangegeven hotels waren niet aanwezig of hadden er de brui aan gegeven. Dit was eigenlijk ook wel te verwachten want we liepen door een vergrijsde en leeggelopen Campagne ver van de toeristische gebieden. De jeugd had haar toekomst en geluk gezocht in de grote steden en dit was overal merkbaar te zien aan de dichtgetimmerde winkeltjes, kroegen en hotels. Noem het maar een zgn. grijze revolutie. In dit dorpje hadden we ons voorbereid op een overnachting op een hooizolder of in een bushuisje, want zelfs onze reisgids vermeldde geen enkele overnachtingsmogelijkheid. Aan een man die in zijn tuin stond te schoffelen vroegen we gespeeld ‘niets vermoedend ‘ of er niet misschien geen hotel in dit dorpje was. Daarbij toonden wij onze door de lange wandeling door modder besmeurde schoenen en vertelden we dat we ‘à pied ‘ waren. In het verleden was ons opgevallen dat deze handelswijze meestal een slaapplaatsje bij vrienden, kennissen of de aangesprokene opleverde. “Neen, in dit dorpje was werkelijk niets”, en hij schudde daarbij medelijdend het hoofd terwijl hij ons van top tot teen opnam. Maar er was wel een Gite in Beaufontaine en hij wilde ons daar wel met zijn auto heenbrengen.

Even later zaten we in het restaurant van de Gite de la Ferme. De enige gast was een oude man met vlinderdas in de hoek, dus overnachten was geen probleem. Even later schaarden de eigenaar, zijn vrouw en de kok zich om onze tafel met de vraag of we ook wilden eten. “Maar  natuurlijk”, antwoorden we, uitgehongerd als we waren na de fikse lange wandeling van die dag. Nadat een lange woordenwisseling vanuit de keuken hoorbaar was geweest, werden we verrast door een verrukkelijke entree van verschillende soorten gestoofde paddenstoelen, overgoten door een sprankelende Bordeaux. Daarna ‘lapin’ gebakken en gestoomd in een fijne saus. De kok kwam glunderend bij onze tafel staan en vroeg: “Comme ca?”, en vertelde dat de saus samengesteld was uit verschillende lokale biersoorten. Haute-cuisine als verrassing en afsluiting van onze wandeltocht in de zuidelijke Vogezen.

Om half tien slopen we vermoeid en verzadigd naar onze slaapplaatsen op zolder, een grote open ruime met diverse slaapmatrassen. De oude man, die later de grootvader van de eigenaar bleek te zijn, lag al luid snurkend met vlinderdas en al in bed. Even later legde ook de eigenaar, zijn vrouw en de kok zich op dezelfde zolder te rusten.

“Bonne nuit”, werd er nog gefluisterd.

C’etait beau, in Beaufontaine.


Vertelling 2 donderdag 26 maart

Met dank aan de Labrador

door Henriët Griffioen

 

In 2004 liep ik mijn eerste pelgrimstocht, samen met onze kinderen Sophie (net 14) en Arthur (10). Hoewel ik me uitgebreid had ingelezen en voorbereid had ik toch geen enkel idee wat ons te wachten zou staan. Hoe doe je zoiets met twee kinderen? Vantevoren had ik een afspraak met ze gemaakt: als een van ons terug wil naar huis, dan stoppen we.

Onze startplaats was Le Puy-en-Velay. Na vijf dagen lopen zei Sophie midden in een groot bos “Ik wil niet meer verder!”. Op dat moment passeerde ons een echtpaar dat dezelfde kant op wandelde. We groetten elkaar. Wij gingen even een dutje doen met het idee dat we straks wel weer verder zouden lopen. Maar Sophie hield voet bij stuk, ze wilde echt niet meer. Arthur werd al na vijf minuten ongeduldig; dus met hem ging ik spelletjes doen, zoals voetballen met een grote eikel. Sophie doezelde ondertussen verder; ze bleef bij haar standpunt. Ik wist me geen raad en legde uit dat we toch tenminste tot het volgende dorp moesten lopen omdat er midden in een bos geen bus of taxi is te vinden. Maar nee, ik kon haar niet overtuigen. Arthur werd boos op zijn stomme zus, maar ook dat hielp niet.

Even later kwam het eerder genoemde echtpaar weer voorbij. Zij vertelden dat ze tot het volgende dorp waren gelopen en nu op de terugweg waren naar hun geparkeerde auto. Vanaf het dorp waren ze gevolgd door een hond, een zwarte Labrador. Misschien konden wij die hond terugbrengen naar dat dorp? Wij hebben thuis een zwarte Labrador, dus Sophie sprong op en maakte van mijn waslijntje een echte hondenriem. Samen met de hond waren we na een uur lopen in het dorp waar de café-baas al op de uitkijk stond. Blijkbaar deed zijn hond dat wel vaker, zo even meelopen met wat passerende wandelaars…

Uiteindelijk hebben we in bijna drie weken 250 km gelopen.


 

Vertelling 1 woensdag 25 maart

De Trekker en de Engel

door Hans Overgoor

 

Het gebeurde tijdens mijn Via Francigena van Canterbury naar Rome in het voorjaar van 2014. Het was een mooie dag, Samedi 25/5 staat in mijn aantekenboekje, en ik liep van Le Meix Tiercelin naar Brienne-le-Chateau, grofweg tussen Châlons-en-Champagne en Langres. Het was een erg nat voorjaar geweest en ik had dagenlang gehuld in mijn cape door de regen gelopen, me afvragend waar ik in Godsnaam mee bezig was. Maar vandaag was het een stralende dag en ik genoot van la campagne, het Franse platteland, een afwisseling van weiden en veldjes met voorjaarsbloemen, struiken, bosjes en een enkele verdwaalde boerderij.

Ik liep op een kaarsrecht landweggetje waar twee auto’s elkaar nauwelijks konden passeren. Dat gebeurde ook niet want het was een doodstille middag waarin het leven tot stilstand leek te zijn gekomen. Zelfs geen vogel liet zich horen of zien,  slechts een eenzame pelgrim die behaaglijk voortstapte, links van de weg. Heel ver achter me hoorde ik heel zachtjes het geluid van een trekker die op zijn dooie akkertje, bijna stapvoets dichterbij kwam. Ik had al een paar keer omgekeken en vaag gezien dat zowel de trekker als de bestuurder al behoorlijk op leeftijd waren en concludeerde dat het nog wel eventjes zou duren voordat ze me zouden passeren.

Op het moment dat het aanzwellend puffend geluid van de trekker tenslotte vlak achter me was wilde ik gaan stilstaan en naar rechts stappen om de trekker en zijn bestuurder eens goed te bekijken en te groeten. Juist op dát moment suisde er met een waanzinnige snelheid een achteropkomend rood autootje rakelings tussen de trekker en mij door; niet meer dan millimeters tussen leven en dood, een flits en binnen een paar tellen was het projectiel nog maar een stip aan de horizon van het weggetje. Als het gezegde “aan de grond genageld” ooit van toepassing was, dan was het wel op dat moment. De gezette boer op leeftijd in blauwe kiel en paars gelaat, zoals je ze alleen in Frankrijk tegenkomt, stopte en met zijn armen ten hemel zwaaiend hoorde ik hem roepen: ”des bandits, de  l’écume, crapules” en nog meer onverstaanbare verwensingen.  Hij was woedend en vertelde me dat dit soort types, meestal onder invloed van alcohol en/of van drugs, achter het stuur kruipt en juist  dit soort stille, verlaten weggetjes als racebaan gebruikt.  

‘Het was een wonder dat ik nog leef’, zei hij, net zoals het voor hem een wonder was dat iemand met een rugzak van Canterbury naar Rome liep.

Door het kabaal van de trekker had ik het met duivelse snelheid vanachter komende projectiel niet gehoord. De boer en ik hebben nog wat doorgebabbeld, toen startte hij zijn proestende trekker en bleef nog lang achterom kijken, van tijd tot tijd zwaaiend. Ondertussen bedankte ik stilletjes mijn beschermengel en deed het nog maar eens over toen ik in Brienne was. Mijn dagboekje vermeldt: “Even in de kerk gezeten en alle goden bedankt voor alles wat ik beleefd heb”.

In Hôtel de Voyageurs”, een  ouderwetse type plattelands hotelletje waarvan ik hoop dat het nog bestaat en waarop Frankrijk patent heeft (of had), was ik de enige gast. Het had er die nacht ook geen kunnen zijn.