Decamerone in tijden van Corona

Vertelling 1 tot 5 onder deze link

Vertelling 6 tot 10 onder deze link

Vertelling 11 tot 15 onder deze link

Vertelling 16 tot 20 onder deze link

Vertelling 21 tot 25 onder deze link

Vertelling 26 tot 30 onder deze link

Vertelling 31 tot 35 onder deze link

Dag 40 zondag 3 mei: twee laatste verhalen

Beste lezers,

Dit is de laatste dag van de quarantaine, de veertig dagen, einde van de serie Decamerone in tijden van Corona.

Het was voor ons als redactie een mooie ervaring, het verwerken van alle verhalen die binnenkwamen. Grappige verhalen over zakjes water, dubieuze overnachtingsplekken en bazige apothekers. Veel natte verhalen, met veel regen, natte voeten en glijpartijen. Een buitencategorie waren de drie “trekkerverhalen”.

Heiligen zijn aangeroepen en gaven soms meteen gehoor aan die oproep, met de juiste weg of een kop koffie. Sommige gebeurtenissen waren echt wonderen, zo onwaarschijnlijk, maar toch “echt” waar of in elk geval te toevallig om toeval te zijn.

Het meest werden wij, en jullie waarschijnlijk ook, geraakt door de zeer persoonlijke ervaringen. Bijzondere ontboezemingen die we mochten lezen in deze verhalenserie. Bedankt, inzenders!

Tot slot nog een laatste verhaal. Nee nog twee, van Arnoud en van Titia. We hadden deze al lang achter de hand, voor als het nodig was. Maar het was nooit nodig, we kregen altijd weer inzendingen. Arnouds verhaal is eenvoudig in te delen, het is er één uit de categorie natte verhalen. Titia’s  verhaal is voor haar zelf een wonder; en ja, het is echt een waar gebeurd verhaal.

Pelgrimeren is een wonder, wie de deur uitgaat zal mooie dingen meemaken. De deur uitgaan wordt nog steeds ontmoedigd, het zal dit jaar wel moeilijk blijven, maar houdt moed!

Arnoud en Titia


Vertelling 40-1 zondag 3 mei

Douchen in de regen

door Arnoud Boerwinkel

Het getik van de regen op het tentzeil wordt begeleid door het droefgeestige geluid van de fado uit mijn minicomputertje. Als ik naar buiten kijk zie ik de regendruppels gestaag neerdalen tegen de achtergrond van uitgestrekte naaldwouden met laaghangende bewolking daartussen. Het weer is deze nacht volledig omgeslagen van stralend zonnig via een flinke onweersbui tot druilerig en somber.   

Toch ben ik goed gemutst en voel ik me voldaan en tevreden. Vooral over het besluit van gistermiddag om juist hier mijn tentje op te slaan. Na mijn gedwongen rustperiode van drie dagen kon ik goed uitgerust en vol vertrouwen de draad van mijn wandeling weer oppakken. In Abreschviller  – aan de voet van de Vogezen – heb ik mijn camel bag nog eens volgeladen met drieënhalf liter drinkwater en voldoende eten voor een nacht wild kamperen. Rond vijven moest ik mezelf dwingen om niet te hard van stapel te lopen.  Ik had 22 km afgelegd zonder pijnklachten en besloot midden in het bos te stoppen bij een schuilplaats, een ‘abri’. Dat is een een­voudige houten hut met een tafel en een paar banken eromheen. Daarin kon ik onder relatief comfortabele omstandigheden mijn koude avondmaal naar binnen werken. Naast de abri zette ik mijn tentje op en creëerde ik met behulp van een knappend houtvuurtje een huiselijke sfeer. Wild kamperen met een klein randje ‘luxe’ dus. Maar wel met het bezwaar dat er geen druppel water in de buurt was om het bezwete lijf te wassen. En dat slaapt niet lekker. 
Toen begonnen ineens de druppels water uit de hemel te vallen. Druppels werden stralen en stralen werden bakken. De grijze wolken zetten hun luiken wagenwijd open. Een mooie kans om van de nood een deugd te maken en een douche te nemen! Dus daar stond ik even later poedeltje naakt onder de dakrand van de schuilhut waar het regenwater met flinke hoeveelheden vanaf kletterde. Zo kon ik vervolgens met een schoon lijf in de schuilhut de afloop afwachten van wat inmiddels een zware onweersbui was geworden die met stevige windstoten het kwetsbare minitentje geselde.

De volgende ochtend kan ik in de droogte van de abri mijn ontbijtje nuttigen en rustig mijn rugzak inpakken, terwijl daarbuiten de regen verder mottert. Na vertrek kleurt de hemel langzamerhand weer blauw en wacht mij de beklimming van de “Donon”, met duizend meter hoogte de eerste serieuze berg op mijn route. Vanaf de top ontvouwt zich een wijds uitzicht over Lotharingen aan de ene en de Elzas aan de andere kant. Een grote ronde panorama-tafel, daterend uit de tijd dat dit stuk Frankrijk nog onderdeel was van “Het Duitsche Rijk”, geeft in het Duits de richting aan naar de diverse Europese steden om mij heen. Bij de pijl naar de plaats­naam “Rom” laat ik een rood lintje achter. Dat verbindt me met wie ik heb achtergelaten en met waar ik heen ga.

Tijdens de afdaling passeer ik rond het lunchuur een chique hotel-restaurant. De grote zwartglimmende Citroëns en Peugeots op de parkeerplaats verraden iets van de status en grandeur van het etablissement. Ik heb enorme trek in een hapje eten, maar aarzel. Kan ik hier in mijn wandelaarskloffie binnenlopen en zomaar neerploffen achter een tafeltje met zilveren kandelaars en damasten lakens? De entourage roept herinne­ringen op aan de liftervaringen uit mijn studententijd. Ik doorkruiste in mijn eentje met de duim omhoog het landschap van Zuid-Noorwegen en kreeg een lift van honderden kilometers. De man was tegelijk dominee, psychotherapeut en boer. We hadden een geweldige reis samen. In uitstekend Engels vertelde hij me bloemrijke verhalen over het leven op het platteland van Noorwegen en etaleerde hij zijn visie op het leven. Na een paar uur rijden nodigde hij me uit voor een maaltijd in een restaurant, ongeveer net zo chique als dit waar ik nu sta te dubben. Wij stapten uit de auto en hij bekeek me eens goed. ‘Heb je ook een nette lange broek?’, vroeg hij voordat we naar binnen gingen. ‘Ja’, zeg ik, ’ik heb wel een lange broek, maar geen nette. Hij is nogal vies.’ ‘Trek die toch maar aan’, adviseerde hij me. Met een broek vol scheuren, strepen en vlekken liep ik zo onopvallend mogelijk achter hem aan langs de tafels met chique geklede stellen van middelbare leeftijd.

 

Inmiddels ben ik zelf ruimschoots van middelbare leeftijd, maar voel me op dit moment nog steeds de vrijbuiter van bijna veertig jaar geleden. Voordat ik naar binnen loop zoek ik in mijn rugzak naar kleding die me nog enigszins toonbaar maakt. Mijn rugzak verstop ik in een hoekje van de garderobe en zo onopvallend mogelijk kruip ik met mijn plompe bergschoenen onder de maagdelijk witte lakens van een vrijstaande tafel achter in de eetzaal.

Direct komt een strak in ’t pak gehesen kelner op mij af. Nu zal je het hebben, denk ik.

‘Goedemiddag, meneer. U wilt de lunch gebruiken?’

‘Ja graag. Ik heb niet gereserveerd, maar zou graag een lichte maaltijd hebben. Bijvoorbeeld een maaltijd­salade met een glas wijn. Kan dat?’

‘Natuurlijk kan dat. Wat dacht u van de Salade Bourgonde met verse zalm, parmaham en foie gras?’

‘Uitstekend idee. Heeft u daar een goed glas droge witte wijn bij?’

Luttele minuten later zit ik als heer van middelbare leeftijd te genieten van de beloning die ik mezelf heb gegeven. En van het contrast tussen het sobere ontbijt van droog brood met bezwete kaas van deze ochtend en de fijnzinnige Bourgondische lunch van deze middag.

Het zijn juist deze contrasten tussen ontbering en luxe waarin voor mij de charme schuilt van deze reis. Of is het ‘t calvinistische stemmetje diep in mij, dat mij vertelt dat ik eerst moet lijden voordat ik mag genieten….?


Vertelling 40-2 zondag 3 mei

Gehaakte doopmutsjes

door Titia Meuwese

Doopsgezinden hebben in het Vaticaan niets te zoeken. Een hervormde stroming die zeer sterk de nadruk op de individuele verantwoordelijkheid legt, zodat er alleen een volwassenendoop bestaat na het schrijven van een eigen geloofsbelijdenis. Grotere tegenstelling tot de centrale Paus is er binnen het christelijke geloof bijna niet. Ik ging als dochter van een doopsgezinde vader dan ook niet op pad naar dat Vaticaan maar naar het Forum, als centrum van de wereld. En de weg daarheen was een individuele eigen keuze, geen standaard pelgrimspad. Maar ik kwam toch onverwachte aanknopingspunten tegen, als ongedoopte nakomeling.

Nadat we de GR5 door de Vogezen hadden gevolgd tot in de Jura, was de volgende stap Zwitserland doorkruisen  op weg naar de Middellandse zee. We wilden een pas nemen zonder gemotoriseerd verkeer. Kijkend naar mogelijkheden om vanaf de noordkant van de Jura het dichtbevolkte Zwitserland mooi door te steken kwam het idee op om de Jura dwars door te steken naar Biel en dan het rustige Emmental te volgen tot er aansluiting was op de Sbrinzweg die de Griespas naar Domodossola doorsteekt.

Ik keek naar geschikte paden door de Jura en toen viel mijn oog op een rare aanduiding op de kaart: Pont des Anabaptistes stond daar boven op een berg. Wat was dat nu? De brug van de wederdopers, een Franse aanduiding voor doopsgezinden? Daar kon ik mooi langs om te kijken wat dat was. Ik leerde er geschiedenis bij: het kanton Bern wilde de doopsgezinden weg hebben. Want doopsgezinden aanvaardden niet alleen geen centraal gezag van de kerk, ze interpreteerden de bijbel letterlijk en wilden dus niet vechten. Dubbel ongewenst waren ze dus. Het kanton Jura wilde ze wel hebben, mits ze boven duizend meter gingen wonen. Stilzwijgend mochten ze ook zelf hun schooltjes hebben, maar een eigen kerk ging te ver. Dus hielden ze diensten in een kloof onder een brug. Daar stond ik dan, toch wel een beetje ontroerd bij een herdenkingsplaquette, onder een nieuw gebouwde houten brug.

Verder ging het, naar Biel en vervolgens het Emmental in. Prachtige houten boerderijen in vaak verrekt steile dalen, de boerderijen verspreid in het landschap. Ik koos willekeurig Langnau als eindpunt, centraal in het Emmental en daarna zou ik eerst terug naar Nederland. Ik kwam er op zondag aan. Er was niets open in het dorp, maar het museum wel. Een enorm houten huis uit 1526, gebouwd net voor de reformatie. In dit museum vond ik ze terug, die doopsgezinden die naar de Jura verdreven waren.

Nu werd me duidelijk waarom hier zoveel doopsgezinden waren. Bern was een gereformeerd kanton midden tussen de katholieke kantons Luzern en Freiburg en werd militair bedreigd. De reformatie was vanuit de stad aan het platteland opgelegd. Slecht geschoolde dominees uit de stad kwamen in de plaats van de meer lokale pastoors en deze dominees werden gezien als deel van de overheid. Ze maakten deel uit van de plotseling hogere belastingen en de oproep tot dienst in het leger. Maar tegelijkertijd kwam de bijbel in de volkstaal beschikbaar en vluchtten radicale doopsgezinden uit Bern naar het afgelegen Emmental. De doopsgezinde onafhankelijkheid werd zeer populair, er ontstond een radicale ondergrondse kerk met eigen huwelijkssluitingen. Jongens die niet gedoopt waren bestonden niet en hoefden dus ook niet in dienst. Een echte inquisitie kwam vervolgens op, tot in de achttiende eeuw. De mannen moesten naar de galeien, of zich bekeren tot het centrale hervormde geloof, of vertrekken. Uiteindelijk weken velen uit en lieten bijna alle bezit achter. Ze gingen naar de Jura, naar Oost Europa of naar de Verenigde Staten, waar ze de Amish werden.  En in 1711 vertrokken vier schepen vanuit Bazel met 350 vluchtelingen naar Nederland, om zich bij Nederlands doopsgezinden te voegen, vooral in Groningen en Sappemeer.  Daar werden ze net als de katholieken getolereerd.

Helemaal boven in het museum hingen prachtige oude doopmutsjes boven een oude wieg. Iedereen streng gecontroleerd toch weer als kind gedoopt, een navrant symbool van een overwinning van het centrale gezag.

Een jaar na deze tocht, na het overlijden van mijn moeder, zocht mijn zoon de stambomen van zijn vier grootouders uit. Mijn doopsgezinde vader had ook Zwitserse voorouders, onder andere uit Langnau. Ik was al ver gelopen, maar bleek dus teruggekeerd naar onbekende wortels.

 


Vertelling 39 zaterdag 2 mei

De pelgrim op de trekker

door Vronie Konijn

 

27 juni, Saint-Astier – Mussidan

Het bos wordt weer weiland. Mijn maag rammelt, een luide roep om eten. Ik neem mijn rugzak van mijn schouders en ga op de grond zitten. Met mijn mond vol kijk ik om me heen. Ik kijk naar de koeien, de bloemen, de bomen, de insecten. Mijn ogen volgen het pad richting het bos en weer terug naar de weide. Dit beeld zie ik nu al weken, denk ik bij mezelf. Paden, bossen, weiden. Overdag zie ik bijna geen mens. Hoe moet Robinson Crusoe zich wel niet gevoeld hebben op zijn onbewoonde eiland? Die zag jarenlang dezelfde beelden. Ik zie gelukkig af en toe nog wat koeien. Monkelend zit ik daar in het gras. Als een flits gaat iets door me heen… Ineens weet ik wat er met mij aan de hand is. Ik verveel me! Ik verschiet van mijn eigen gedachte, maar gelijk denk ik wéér: ik verveel me vandaag afschuwelijk. Ik snak naar avontuur en kletspraatjes met andere mensen.

Zuchtend sta ik op en loop verder. Het pad gaat over in bos en even later weer in weiland. Opeens hoor ik een ander geluid. Ik spits mijn oren. Een trekker. Het geluid komt mijn kant uit. De trekker mindert snelheid en draait vlak voor mij naar links, een ander weilandje op. Ik loop naar het weitje en ga aan de kant staan kijken. Ik bestudeer de trekker met belangstelling. De hooischudder die erachter hangt is wel héél oud. De wielen zijn zelfs nog van ijzer. Ik zie hoe de boer het gras met deze antieke hooischudder bewerkt. Als hij mij passeert glimlach ik en roep luid: ‘Bonjour!’, naar hem. De boer is blijkbaar in voor een praatje. Hij stopt zijn trekker vlak voor mijn voeten en springt er met een soepele boog af. Als hij ziet dat ik naar de oude hooischudder kijk zegt hij met trots: ‘Die is nog van voor de oorlog.’ Ik bewonder de schudder en zeg: ‘Thuis hebben we ook een oude trekker, hij is oranje met blauw.’ Ik kan niet zo snel op de naam komen. De boer is blijkbaar een kenner, want voor ik wat kan zeggen roept hij het type: ‘Een Same’, zegt hij. Het duurt even voor ik begrijp wat hij bedoelt. Dan dringt het tot me door: ‘Ah, oui,’ zeg ik, ‘dat klopt.’ Nu weet ik ook meteen dat wij het woord ‘Same’ thuis verkeerd uitspreken.

 

Hij springt weer op zijn trekker en gaat verder met hooi schudden. Verlangend kijk ik naar zijn bezigheden. Opeens weet ik het. Dit wil ik ook! Resoluut doe ik mijn rugzak af en leg de stokken ernaast. Als de boer weer langs komt steek ik mijn hand op en laat hem hiermee stoppen. ‘Ik wil graag een rondje op je trekker rijden. Vind je dat goed?’, vraag ik. ‘Thuis rij ik ook regelmatig op de trekker’. Ik overdrijf daar behoorlijk in. Thuis rij ik bijna nooit op de trekker, maar ik smacht naar een rondje, naar wat avontuur en ik vind dat ik daarvoor wel mag overdrijven. De boer springt weer van zijn trekker en zonder enige aarzeling zegt hij: ‘Oui, bien sûr.’ Met een wijds armgebaar biedt hij mij zijn trekker aan. Hij lijkt het wel een normale vraag te vinden. Mogelijk dat elke passerende pelgrim hier een rondje op zijn trekker rijdt.

 

Met een verwachtingsvol gevoel stap ik op de trekker en neem plaats op het ijzeren zitgedeelte. Vol verwachting leg ik mijn handen op het grote stuur. Wat voelt alleen dit al ontzettend goed. Met een gezicht alsof ik nooit anders doe draai ik met mijn rechterhand het sleuteltje om in het contact. Zacht pruttelend start de motor. Heel beheerst laat ik de koppeling opkomen en tegelijkertijd druk ik voorzichtig het gaspedaal in. Het lijkt wel of ik dit magische moment zo lang mogelijk wil rekken. Langzaam laat ik de trekker in beweging komen. De motor ronkt onder mijn voeten. Rustig draai ik aan het stuur en laat hiermee de oude machine in een vloeiende beweging de bocht in gaan. Een blik van hemelse verrukking gaat over mijn gezicht.

Daar ga ik. Pelgrim Veronique. Op een trekker. Een echte Massey Ferguson. Over het hooiland met achter deze trekker een antieke hooischudder van ver voor de oorlog. Ik geniet. O, wat geniet ik van dit staaltje techniek. Wat heb ik het ongelooflijk naar mijn zin. Ik stuur de trekker door het Franse weiland alsof ik het dagelijks doe.

Met een hand aan het stuur en de ander nonchalant op de stoelleuning achter me kijk ik met kennersblik hoe het hooi achter de trekker wordt gekeerd. Ik ruik de geur die door het schudden boven komt, de geur van gedroogd gras. De geur van de zon in de zomer. Het stuur ligt als gegoten in mijn hand en keer op keer draai ik een rondje. In één keer is mijn gevoel van verveling volledig verdwenen. Mijn dag kan niet meer stuk. Kon ik maar blijven, kon ik maar een paar dagen een Franse boerin zijn.

 

Maar helaas… De plicht van het pelgrim zijn roept. Het wordt tijd om weer te gaan wandelen, anders kom ik nooit in ‘Compostela’ zoals ze het hier in Frankrijk noemen. Innig bedank ik de boer. Ik kijk nog eens om en ik zie hoe hij aandachtig zijn eigen rondjes weer draait. Nagenietend vervolg ik mijn weg.

 

 

Uit Vronie Veronique Veronica

Een verhaal over lef en kwetsbaar durven zijn

ISBN: 978-94-6008-288-7


Vertelling 38 vrijdag 30 april

De gastvrijheid van Adi Shabtai

door Helen van der Poel

 

We waren al een heel eind gevorderd op The Israel Trail, het pad dwars door Israël dat we volgden op weg naar Jeruzalem. Eerst waren we langs het meer van Genezareth gelopen, langs al die plaatsen waar Jezus bijna tastbaar aanwezig is: waar hij liep over het water, twee broden uitdeelde aan duizend man, mensen van hun kwalen afhielp en verhalen vertelde. Toen door Galilea, langs Nazareth, het dorp van Maria, over de Carmel; en later over het strand naar Caesarea, waar Paulus per boot naar  Rome vertrok. 

 

We hadden al gemerkt dat het vinden van een slaapplaats in Israël niet altijd eenvoudig was, maar hadden tot dan toe steeds terecht gekund bij een kibboets, een klooster of een hotelletje. Dat zou nu ook wel weer lukken.

Er was een kibboets vlak achter Caesarea. Die bleek vol, echt vol. Toen een heuvel op, naar een soort sportclub.  Maar nee, daar lukte het ook niet. Dan maar weer de heuvel af,  naar de grote weg. Liften wilden we niet. Er was een wegrestaurant naast de benzinepomp. We kenden nog wel een truc: spreid je kaarten opzichtig uit op een tafel, ga luidop zitten delibereren over waar je bent en waar je naar toe denkt te gaan. Dan komt er meestal wel iemand over je schouder kijken en helpt je verder. Zo gezegd zo gedaan.                                                                                                    

 

De ober die met onze drankjes kwam bleef bij onze tafel staan.

‘Zijn jullie op de Israel Trail?’, vroeg hij.

‘Hoe weet je dat?’, zeiden wij.

‘Ik had jullie net al de heuvel op zien gaan en ik wist wel dat jullie daar niet terecht zouden kunnen. Dus toen heb ik mijn moeder alvast maar gebeld. Ze vindt het prima als ik jullie straks mee breng als mijn dienst is afgelopen.’

Onze mond viel open van verbazing. Maar dat konden wij zeker niet accepteren.  Zijn moeder zou ons aan zien komen! Met onze vuile schoenen en rugzakken met onduidelijke spullen erin!

Een half uur later zaten we in zijn auto en reden we naar het huis van zijn ouders. De familie verwelkomde ons alsof we de verloren zoon zelf waren. De dochter werd uit haar kamer gecommandeerd. ‘Nee, helemaal geen probleem’. De tafel was gedekt. Maar we hadden al gegeten! Toch moesten we proeven van alle speciale Israëlische gerechten. De ouders spraken geen Engels, wij geen Hebreeuws, behalve toda – dat is “bedankt” – , wat we in alle toonaarden herhaalden.

De volgende ochtend was het afscheid. Adi – zo heette de ober, –  zou ons terug brengen naar Caesarea.  lk hielp nog even de tafel afruimen en de vader liet Klaas de mooie tuin zien. Het moment van afscheid was daar. We wisten inmiddels dat Orthodox­ Joodse mannen een vreemde vrouw niet mogen aanraken en eigenlijk zelfs niet mogen aankijken. Maar vandaag moest alles wijken. Klaas zoende de moeder op beide wangen. Er biggelden tranen over mijn wangen. Spontaan viel ik de moeder om de hals.  lk pakte de hand van de vader met beide handen vast en viel hem om de hals. We zwaaiden en zwaaiden.

You have made my parents very happy’, zei Adi toen we terug waren bij het wegrestaurant. Nog drie jaar lang stuurden we elkaar kerstkaarten. Toen brak de oorlog tussen Israël en Libanon uit. We hebben nog veel aan de familie gedacht.

 
   

 


Vertelling 37 donderdag 30 april

Uitreiking oorkonde in de Friezenkerk

door Henk Sieben

 

Van 11 april tot 2 mei 2014 fietsten mijn vrouw Alie en ik vanuit Rekken naar Rome. We volgden de Reitsma-route. Met de stempelkaart bij de hand gingen we goedgemutst op pad.  Als eerste deden we het klooster van de Paters Maristen, Loreto te Lievelde, aan. We werden vriendelijk ontvangen en kregen een prachtig stempel op de kaart.

Voor het klooster Loreto

Achteraf bekeken een historisch stempel omdat het klooster in 2016 is overgedragen aan de Koptisch Orthodoxe Kerk. De afstand Lievelde/Roermond legden we af per trein omdat we dit al eens gefietst hadden. Daarna ging het verder op de fiets. We hebben geweldig genoten van de tocht die zo nu en dan best zwaar was. Een beetje lijden hoort erbij, maar het was vooral heel mooi. Pittige heuvels, ruisende rivieren en groene dalen. Heerlijk!

Het halen van stempels viel me behoorlijk tegen. Veel kerken waren gesloten en een pastorie was vaak niet in de buurt. Daarom haalde  ik de stempels bij de bureaus voor toeristen, onze overnachtingsadressen en bij boekhandels. Gelukkig wist ik wel een stempel te bemachtigen bij de imposante kathedralen in Worms, Trente, Verona en Assisi. Toen Rome nog.

Omdat we op zondag Rome bezochten en  ik in het boek ‘Op Pelgrimstocht naar Rome’ van Ben Teunissen had gelezen dat je dan in de Kerk van de Friezen terecht kon om een stempel te halen, gingen we daar heen. We waren er rond half tien. De kerk was al behoorlijk vol. Terwijl we de kerk betraden, werden we begroet door een enthousiaste voorganger aan wie ik vroeg of ik een laatste stempel op mijn stempelkaart kon krijgen. Ik gaf hem mijn stempelkaart en hij vroeg of ik me aangemeld had. Ik zei van niet. ‘Maakt ook niet uit’ zei hij joviaal, ‘ik maak een oorkonde voor je klaar.’ Ik had over een oorkonde gelezen en dacht: hup een stempel, een oorkonde en weer naar buiten.

We gingen in de kerk zitten en luisterden naar een boeiend verhaal over historie van de Friezenkerk. Tijdens de lezing zag ik de voorganger voorbij komen en vroeg zachtjes aan hem of ik op tijd de stempelkaart kon ontvangen want we wilden ook graag de toespraak van de Paus horen. ‘Maak je geen zorgen’, zei hij geruststellend, ‘het komt allemaal goed’. Hij zei dat er aan het einde van de dienst ook twee wandelaars een oorkonde zouden krijgen. De viering was in het Nederlands en ook wij als protestanten voelden ons hier thuis. Aan het einde van de viering werden drie mensen naar voren geroepen: de twee wandelaars en ik. Onder een hartelijk applaus kregen we de oorkondes uitgereikt. Dit had ik totaal niet verwacht en was er geheel door overdonderd. Echt indrukwekkend: een bekroning van een fietstocht naar de eeuwige stad. Omdat het 4 mei was zongen we aan het einde van de dienst het Wilhelmus.

Na de viering waren we gelukkig op tijd om de toespraak van de Paus te horen. Daar stonden we dan, temidden van duizenden mensen en waren vooral onder de indruk van het enthousiasme dat de menigte uitstraalde. Echt om blij van te worden.


Vertelling 36 woensdag 29 april

Nous sommes complet

door Frank van der Bruggen 

 

Tijdens onze wandeling over de GR5 in België hadden wel het al vaker meegemaakt dat we werden geweigerd bij een pension of hotel. Onze met modder besmeurde schoenen en wandelbroeken werden met opgetrokken neus bekeken en leidde vaak tot ‘nous sommes complet’, terwijl in de verste velden of wegen geen gast te bekennen was.  Onderweg hadden we al noodgedwongen in een hooiberg geslapen of een verre terugreis naar een jeugdherberg moeten maken.

Ditmaal waren we in Spa aangekomen waar we weer werden geweigerd omdat het ogenschijnlijk lege en verlaten hotelletje tot de nok gevuld moest zijn met gasten. We werden verwezen naar een man met een lange zwarte baard die een toeristentreintje in het centrum van Spa runde.

 

Deze had wel een slaapplek maar we moesten even geduld hebben en hij zou ons met een busje naar de plek brengen.  In de avond kwamen we aan in een afgelegen wijk van Spa en bij het openen van de deur hoorden wel blaffende honden. ‘Un moment’ zei de man; hij ging naar binnen en de honden hielden op. Binnen werden we naar een grote zaal op de 1ste etage van het pand geleid. Daar stonden een twintigtal bedden waarvan het merendeel er beslapen uitzag. Toen we ons omdraaiden was de man al verdwenen en hoorden we het busje buiten wegrijden.

We keken elkaar vragend aan en vonden het er niet pluis, toch maar liever een hooiberg. Toen we het pand wilde verlaten stonden er onder aan de trap twee grote zwarte grommende Dobermanns.  Dan maar door het raam naar buiten, we gooiden onze rugzakken naar buiten en sprongen naar beneden.

In Spa aangekomen kwamen we weer de man van het treintje tegen. Toch maar liever niet. Later bleek dat dit het zwerverslogement van Spa te zijn.