NB53 Vier verdedigingswerken

door Titia Meuwese

Tijdens een tocht langs de Middenweg van Trier naar Karlsruhe kwam ik in veertien dagen langs drie grote verdedigingswerken, uit honderd voor onze jaartelling tot pas honderdvijftig jaar oud. Tijd genoeg om na te denken over betekenis en zin van vestingen tijdens het lopen. En uiteindelijk stuitte ik op een gloednieuwe verdedigingsmuur.

Vanaf Trier lopend richting de Rijn voert de route over de Hunsrück richting het Saarland. De Hunsrück heeft een langzaam oplopende helling aan de noordwestkant vanaf Trier, maar naar het zuidoosten zijn er steile dalen. Boven één van die dalen, nu uitkijkend op een snelweg richting het Saarland ligt het Keltische fort van Otzenhausen uit de IJzertijd, 250 meter boven de vlakte. Een imposante lange wal van stenen, aan de noordkant nog altijd tien meter hoog, veertig meter breed en vijfhonderd meter lang. Ook nu zou het opstapelen van zoveel steen een hele klus zijn. Mooi is het niet. Het hele fort was een driehoekig gebied van vijftien hectare. Wat was het doel en het nut van dit fort? Misschien tegen andere lokale stammen opgericht? Het lijkt in de Romeinse tijd zonder slag verlaten te zijn en de Romeinen noemen het niet.

Ridder en politicus

Verder lopend langs Sankt Wendel naar het zuidoosten kom je in het golvende Saarland, welvarend land met verre uitzichten en zonder diepe dalen. Nog vlakker wordt het op de rand van het massief Pfalz – Vogezen. De Jakobsroute gaat bij Landstuhl in de richting van de Pfalz. Bij deze stad ligt honderd meter boven de stad het kasteel Nanstein. Ik klim in de regen omhoog en kijk naar de resten van een burcht. Opschriften bij de ruïne triggeren mijn nieuwsgierigheid: de laatste eigenaar van het ouderwetse kasteel, Franz von Sickingen werd “de laatste ridder” genoemd. Hij was echter niet alleen een ridder, maar ook een politicus die met keizers onderhandelde en hij bekeerde zich tot het protestantisme. Met de ridderbond probeerde hij Trier te veroveren en trok zich, toen dat mislukte, terug in zijn laatste kasteel Nanstein. Hij had dat goed laten versterken en dacht er vier maanden een belegering te doorstaan. De vijand veroverde dankzij nieuwe kanonnen het kasteel binnen een week en de ridder stierf aan zijn verwondingen.

Germersheim

De Pfalz door, kasteelruïnes op de heuvels boven de dorpen voorbij en op naar de Rijnvlakte. Ik zocht een andere weg richting het Zwarte Woud en wilde een stukje langs de Rijn lopen. Vanaf Speyer is de eerste plek om te voet leuk over te steken het veer bij Leimersheim. Als overnachting daarvoor zocht ik Germersheim uit. Nog nooit van gehoord, maar op de kaart waren allemaal verdedigingswerken te zien.

Eigenlijk is de hele stad een fort, uit de negentiende eeuw warempel. Pas nadat de stad in de Napoleontische tijd Frans was geworden, wilden de Duitsers het tot fort ombouwen; met wallen en verdedigingsmuren. Het werk was pas in 1865 af. Tegen die tijd waren de wapens al weer zoveel sterker, dat het fort als zodanig onbruikbaar was. De bewoners waren wel gevangen: binnen de muren was er weinig ruimte voor industrie en daarbuiten mocht niet gebouwd worden. Zonder dat er ooit een slag geleverd was, werd bij het verdrag van Versailles afgesproken dat de vesting ontmanteld werd. Maar binnen de muren is het een heel rare stad, met alle kazernes en toch nog bestaande vestingwallen.

De Rijn loopt vlak langs de stad. In de tijd dat de vesting werd gebouwd werd ook de Rijn rechtgetrokken en werd er een dijk langs aangelegd. Eeuwen van onregelmatige overstromingen waren voorbij. Nu in 2021 steeg het water tot een niveau dat ook in de winter maar zelden wordt bereikt. De zomerse buitendijkse activiteiten, die al door corona beperkt werden, waren niet meer mogelijk. De opening in de dijk was met aluminium beschoeiingen dichtgemaakt, het fietspad lag onder water. Aan deze nieuwe verdedigingswal stonden de bewoners ontzet te kijken: wat nu te doen? Hoe kunnen we ons verdedigen tegen alle nieuwe onheil?